Zeven weken Griekenland

Paleosélli, Epirus. In de verte het Tímfi-gebergte (2497 meter hoog). Klik hier voor vergroting (500 KB).

  

Inhoud, of begin hier -->

Paleosélli
Vlekjes op de muur
Greek drivers, err!
Korfoe
Eventjes naar Lefkáda
Orthodox vakantiekamp
Kreta
De border police van Kónitsa
Oma
Smólikas! Eh.. Verdwalen!
Pa en ma in Griekenland
Niet in het meertje zwemmen!
Niet met bijlen zwaaien!
Geen vreemde insecten aaien!
Geen fossiel te vinden.
Alweer Ioánnina?
Athene
Akrópolis & Pláka
Skiáthos
Skópelos
Vólos
Siliconentoetje

"MAAR JE had toch maar vijf weken aan  vakantiedagen?"
"Inderdaad."
"Hoe heb je dat dan geregeld?"
"De PC van PZ gehackt."
"Sluw hoor, meneer de systeembeheerder! En heb je jezelf meteen salarisverhoging gegeven?"
"Ach, vergeten! Stom stom stom!"

Twee dagen voor vertrek kreeg Maria keelontsteking. De koorts was ongeveer net zo hoog als de vliegroute die we zouden nemen. Kamperen op de Pellopónisos konden we vergeten. Liever meteen naar Kónitsa, naar de zorgzaamheid van Evchenia, Maria's moeder. Er zijn twee manieren om van Athene naar Kónitsa te gaan: 8 uur met de bus, een hele zit; of doorvliegen naar Ioánnina, en dan doorbussen naar Kónitsa, ongeveer twee uur samen.

"Mijn keel zegt: doorvliegen naar Ioánnina," piepte Maria.

Het nieuwe vliegveld van Athene: Eleftheros Venizelos.

 
Het totaal weggemoffelde kantoor van de Turkish Airlines.

Waarom ze bij Athene een nieuw vliegveld aangelegd hebben is mij een raadsel. Het nieuwe vliegveld ziet er net zo uit als het oude, alleen onduidelijker. De bagage konden we nog wel vinden. Met onze rugzakken begaven wij ons naar de uitgang. Anders passagiers volgden ons. Maar weldra stonden wij voor een gesloten deur. We konden de uitgang van de bagagehal niet vinden. Maria en ik keken links naar een uitweg, de andere passagiers volgden ons. Geen uitgang. Maria en ik liepen naar rechts, met de hele meute achter ons aan. Geen uitgang. 
"U bent zeker de reisleider," lachte een uniform, "De uitgang is die kant op."
Zo kwamen wij in de vertrekhal. Dat is een erg lange hal, zo groot dat we met gemak onze achtervolgers konden afschudden. Alle vliegmaatschappijen zijn er naast elkaar gevestigd, behalve de Turkish Airlines: die zijn apart gezet in een volstrekte uithoek van de hal, waar mensen alleen komen om een tukje te doen of naar het toilet te gaan. De Grieken en Turken zijn nog lang geen vrienden.

Het vliegtuig naar Ioánnina vertrok pas enkele uren later. Met onze tickets legden wij ons neer voor de Turkish Airlines. Iedere tien minuten riep een extreem heldere vrouwenstem vanuit een luidspreker of die-of-die meneer zich onmiddellijk naar die-of-die gate wilde begeven. Erg veelzeggend was dat het alleen Grieken waren die moesten worden aangespoord. Iedere keer dat zo'n omroep klonk, rochelde een dikke liggende meneer naast ons een verwensing die Maria vertaalde als "fuck you". Zijn middagrust was niet erg geslaagd, maar hij heeft ongetwijfeld wel zijn vlucht gehaald.

Heel fraai mislukte foto van de golf van Amvrakikos in avondlicht.

 

Het vliegtuig naar Ioánnina is een soort bus met vleugels. Een maaltijd zit er niet in; alleen een snoepje. Dat was niet erg, want wij hadden bij Lauda Air en Austrian Airlines onze buikjes al rond gegeten. Die twee maatschappijen hebben ook tv-schermpjes in de toestellen, waardoor je op een plattegrondje precies kunt zien waar je op dat moment bent. Men begint met een wereldkaart, alsof de passagiers moet worden uitgelegd in welk werelddeel ze zich bevinden. Voor buitenaardse wezens is dat wellicht handig, maar die hebben zo hun eigen vervoermiddelen.

Het vliegveld van Ioánnina is zo klein dat het charmant en gezellig is. Onze vliegende bus was het grootste toestel dat er stond. Verder was er een helikopter die zich meteen uit de voeten maakte, en een klein sportvliegtuigje voor hooguit anderhalve persoon, en verder niets. Door het raam van de aankomsthal zag je hoe de bagage vanuit het toestel op een kar werd gegooid, de kar naar de buitenmuur van de hal werd gereden, je hoorde de kruier de bagageband starten, alle bagage erop leggen en, zodra de laatste koffer door het gordijn naar binnen schoof, de band weer stopzetten. Ik vroeg mij af waarom ze niet gewoon die kar naar binnen reden zodat men zelf zijn koffers kon pakken, dat was een stuk eenvoudiger geweest. Waarschijnlijk een kwestie van status: als Athene bagagebanden heeft, dan wij toch zeker ook!

In Ioánnina is het huis van broer Tásos en zus Eléni een vaste tussenstop. Maria ging naar het plaatselijke ziekenhuis en kreeg een recept voor een antibioticum mee. Het medicijn namen we mee naar Kónitsa, waar de moeder van Maria op ons wachtte. Maria had het erg druk met herstellen, en dat ging zo goed, dat ik haar diverse keren moest overtuigen om de kuur af te maken.

Paleosélli

Beste lezer, u heeft vast nog nooit van Paleosélli gehoord.

Paleosélli ligt volstrekt afgelegen in de Píndos-bergen. Er wonen 300 mensen, alleen in de zomer. Er gaat 4 keer per week een bus heen, die er anderhalf uur over doet. Op die weg, die pas twee jaar geleden geasfalteerd werd, wordt slechts 1 ander dorpje gepasseerd. In de winter is de weg ingesneeuwd en zijn de handvol overgebleven bewoners afgesneden van de bewoonde wereld. Kortom, Paleosélli scoort niet onaardig in de top honderd van meest afgelegen plaatsen ter wereld. Waarom zijn er dan ooit mensen gaan wonen? Er stroomt water door het dorp. Planten die elders zouden verpieteren worden hier iedere dag besproeid. Ooit hebben er zelfs enkele watermolens gestaan, totdat fossiel aangestuurde mechanieken hun intrede deden.

Wij zouden naar Paleosélli gaan.

Het is voor een buitenstaander niet eenvoudig om de bus naar Paleosélli te herkennen. Vanuit Kónitsa vertrekken zo'n drie andere bussen rond hetzelfde tijdstip, die allemaal dezelfde groenbeige kleuren hebben en allemaal "Kónitsa" als bestemming vermelden. Gelukkig weet de familie van Maria precies om welke bus het gaat.
[Ik inmiddels ook: het is de kleinste, meest aftandse en meest afgeleefde bus die er bij zit, het is de enige zonder airconditioning, en binnen staat de klok stil op vijf voor half twaalf.]
Maria, broer Thomas, moeder, een heuvel bagage en ik stonden onder de brandende zon op de bus te wachten. Tante Tassía en tante Dimítra, slimmer dan wij, zaten op hun gemak aan de overkant van het kruispunt in de schaduw van een grote plataan. 

Toen de bus zich opende voor de passagiers brak een enorme chaos los. Iedereen rende met zijn tassen rond de bus om uit te zoeken waar de luiken voor de bagage waren; de ene helft rende met de klok mee en de andere helft tegen de klok in. Daarop vond een kleine veldslag plaats om zo snel mogelijk de bus te betreden. Toen de stofwolken waren opgetrokken, klopte er niets van de stoelindeling, waardoor een aantal mensen nog in het gangpad stonden. Ik was daar één van. Enkele mensen waren niet tevreden met de hun toegewezen stoel, en waren op eigen houtje op de stoel van een ander (lees: in de schaduw) gaan zitten. Iedereen schreeuwde tegen iedereen. Het werd heter en heter. Na tien minuten vond de chauffeur het welletjes en wees, nog harder brullend, iedereen een plaats toe.

Nadat de bus zich door nauwe bochten uit Kónitsa gewurmd heeft, trekt een betoverend berglandschap voorbij. Dit is Zagória, dit is het Vikos-Aoos nationaal park, dit is het Griekse vasteland op zijn spectaculairst! De bus rijdt langs ravijnen die mij doen griezelen bij de gedachte dat de chauffeur ooit eens ruzie met een raar insect mocht krijgen. Tante Tassía wees mij op Smólikas, de op 1 na hoogste bergtop van Griekenland: 2637 meter boven zeeniveau. Het is mogelijk om in één dag van Paleosélli naar de top te lopen. Op 18 augustus zouden enkele bewoners dat doen, dat was min of meer een traditie - hoewel men toegaf dat verreweg de meesten de berghut op 2 uur afstand al ver genoeg vonden. Ik wilde helemaal mee naar de top en dat was als een lopend vuurtje door de ganse familie bekend geworden. Mijn voornemen ontving de goedkeuring van tante Tassía. Haar enige schoonzoon Sotíris schijnt enigszins lui te zijn en als hij ooit een bergtop zal beklimmen, is het achter het stuur van zijn auto. Tassía maakt zelfs grapjes over de dikke buik van de nog vrij jonge Sotíris. Maria fluisterde dat Tassía eigenlijk een beetje een schoonzoon zoals ik gewild had; lang, blond, sportief, voor Griekse begrippen exotisch, en charmant. Tante Tassía wordt hier erg modern gevonden, want ze is gescheiden en ze heeft een baan.

Paleoselli. Het huisje.

 

Vlnr: tante Tassia, tante Dimitra, Maria, moeder Evchenia in hun zondagse kleding.

De bus komt piepend tot stilstand. Kippen vliegen uiteen. Het dorp komt tot leven. De bus is er, de bus! Passagiers verdringen elkaar om zo snel mogelijk uit te stappen alsof de bus elk moment weer kan vertrekken, en schreeuwen zo hard mogelijk om te regelen dat ook hun bagage de bus verlaat. Hebben we alles? Op naar het huisje.

Tante Tassía neemt Maria en mij mee op enkele wandelingen en leert mij dat "aníforos" "omhoog" betekent. Ze spreekt een beetje Engels, ongeveer net zo weinig als ik Grieks, en dat geeft een bepaalde gelijkwaardigheid in de communicatie. Het wordt hier erg gewaardeerd als je laat zien dat je serieus Grieks wilt leren. Dan blijkt dat bijna iedereen wel degelijk Engels geleerd heeft, maar zich schaamde voor het weggezakte niveau, maar zich minder schaamt als jij je ook niet schaamt voor je belabberde Grieks. Ook Tassía heeft Engels op school geleerd maar het daarna nooit in de praktijk gebruikt. Ik ben een goede gelegenheid om haar Engels op te frissen.

Vlekjes op de muur

In Paleosélli komen schorpioenen voor. Niet van die dodelijke, maar je schijnt er toch een lelijke steek van te kunnen krijgen als je niet oppast. Dan kun je maar beter een dokter opzoeken. Bij gebrek aan dokter kun je de doodgemaakte schorpioen op de beet leggen: de schorpioen heeft antistoffen tegen zijn eigen gif en die dringen dan hopelijk door je huid naar binnen.

Maria en ik raakten bijna in paniek toen moeder Evchenía in de badkamer een schorpioen vond. Maar moeder is in het geheel niet onder de indruk van deze beesten. Ze is al eens gestoken en haalt daar haar schouders bij op. Het verhaal doet de ronde dat ze eens een bos takken huiswaarts droeg, en deze op de grond legde om te rusten. Na tien minuten ging ze weer op pad, de takkenbos op haar rug. Thuisgekomen legt ze de takkenbos neer en tot haar verbazing kruipt er een dozijn schorpioenen uit. Het is dat ik geen pet op had, anders had ik die bij het horen van dit verhaal voor moeder afgenomen.

Goed, een schorpioen in huis dus. Moeder haalt haar schouders op. Ze pakt een plank en mept het beest dood.

Maria had echter goed de schrik te pakken, en ik voelde mij ook niet helemaal op mijn gemak. Ik keek bij ieder bezoek aan het toilet even goed in het rond, ook onder de wc-bril.

Op een nacht moest ik mijn bed uit voor een kleine boodschap. In het licht van de zaklamp zag ik iets verdachts zitten op de muur van de slaapkamer. Zodra ik het woord "scorpio" had uitgesproken zat Maria rechtop in bed en had, ondanks ontstoken keel, moeder met groot verbaal vermogen op de hoogte gebracht van de situatie. Ik wachtte de komst van moeder niet af, pakte mijn sandaal in de hand, en liet deze met grote snelheid op het beest neerkomen. Dat was voldoende. Ineens begreep ik waar al die kleine vlekjes in het hele huis vandaan kwamen... Maria ging niet eerder plat dan nadat moeder de hele slaapkamer had gecontroleerd, ook alle daaropvolgende nachten.

De volgende dag was Maria aan de beurt om een schorpioen te vinden. Gretig trok ik mijn sandaal uit en liet deze hard neerdalen op de muur. Maar dit keer was er niets te zien: geen lijk en geen vlek. Toen schrok ik toch even. Hoe snel lopen die insecten eigenlijk? Had hij zich bij het naderen van mijn schoeisel uit de voeten gemaakt? Maar iemand vond de resten op een dwarsbalk van de dichtstbijzijnde deur. Diepe zucht.

In Paleosélli moest het huis van de familie klaargemaakt worden voor twee Nederlanders, die bereid waren om er voor twee weken hun vakantie door te brengen. Maar wat te doen aan de schorpioenen? De Nederlanders zouden zich waarschijnlijk te pletter schrikken als ze een schorpioen vonden, en dan is het nog te hopen dat ze hem zien voordat ze erop gaan zitten. We besloten om gif neer te leggen tegen het ongedierte en om de gasten van tevoren op de hoogte te brengen. Liever een beetje bang dan argeloos gestoken.

Geen fossiel maar wel oud, deze priester. De kerk op de achtergrond staat vijf graden uit het lood, ongeveer net zo erg als de toren van Pisa.

  

Een icoon wordt voor een processie uit gedragen.

 

De drie zusters Dimitra, Evchenia en Tassia op het dorpsplein van Paleoselli.

 

 

 

 

Fossielen

Maria en ik gingen wandelen. Ik vergaapte mij aan de geologische rijkdom langs de weg, en moest beslist iedere minuut wel een interessante steen bekijken. Maria vond dat vreemd, want volgens haar doen alleen kinderen van vier jaar dat. Mijn grote wens was om een fossiel te vinden. Ik leerde al gauw het Griekse woord daarvoor: apolíthoma, meervoud apolithómata. Helaas, geen apolithómata gevonden. Wel zagen wij verderop een man met twee geiten lopen, ook leuk natuurlijk. Maar wij liepen hem niet tegemoet, want Maria vond het tijd om terug te keren. 's Avonds troffen wij dezelfde man in het dorp aan. Waarom wij omkeerden, vroeg hij in het Duits (want verrassend veel Grieken spreken een aardig woordje Duits). Vanaf waar hij stond had je een prachtig uitzicht op de top van Smólikas. Jammer, als we dat geweten hadden.

Ook moeder Evchenía nam mij mee op enkele wandelingen, samen met Maria's broer Thomás. Mijn waardering voor haar nam nog verder toe toen bleek dat ze Thomás (jongere) en mij (oudere jongere) met groot gemak bijhield en zelfs passeerde. Helaas echter geen apolithómata gevonden.

Thuisgekomen neemt moeder zonder enig spoor van tegenzin de huiselijke zorg op zich. Maria maakt daar gretig gebruik van. "Ik wil water" zegt ze, en hup, voordat ze haar zin af heeft, staat moeder al in de keuken. Wij als geëmancipeerde Nederlanders kijken daar vreemd tegenaan. Mijn Griekse schoonfamilie niet. Als ik probeer te helpen in de keuken word ik door moeder met vaste hand teruggeleid naar de zithoek. Maar als moeder even weg is naar de buurvrouw doe ik stiekem de afwas. En ik weet het niet zeker, maar ik geloof dat ze er stiekem wel blij mee is.

Greek drivers, err!

Maria en ik krijgen een lift terug naar Kónitsa van een collega van zus Elli die ook naar Paleosélli was gekomen. Voor vertrek lunchten we nog even met koude mousaka. Dat is een stevige ovenschotel met gebakken aardappel, gebakken aubergine, gehakt en een cręmelaag bovenop. Dan moet van de gehele familie uitgebreid afscheid genomen worden, veel omhelzingen, kussen, "ade ja" (tot ziens). Fris in de auto vraagt Maria mij om een nummer in de mobiele telefoon op te slaan. Dat lukt mij niet. De auto spurt weg. Na tien seconden op het display te hebben gekeken, breekt er oorlog uit in mijn ingewanden. Voor het eerst in mijn leven ben ik wagenziek. Geen wonder: de collega van Elli rijdt het stuk Paleosélli-Kónitsa tien keer zo snel als de bus. Op rechte stukken neemt hij enorm veel vaart, waardoor mijn maag ergens achter de wagen blijft hangen. Veel te laat voor de bocht remt hij keihard, waardoor de mousaka ineens naar voren wordt geslingerd. Maar hij remt niet hard genoeg. De bocht wordt balancerend op twee wielen genomen en mijn maag schuurt tegen de rotswand. In de volgende bocht hangt mijn maag boven het ravijn. De auto nog net niet.
"Are you OK?" zegt de collega van Elli vanachter het stuur.
"I'm fine," lieg ik. "You drive very fast!" probeer ik terloops op te merken.
"Greek drivers, err!" grijnst de frisse yup. "I will slow down a little bit," biedt hij aan. En hij trapt het gaspedaal nog eens flink in, waardoor wij door elkaar worden geschud zoals kapitein Haddock op de Italiaanse achterbank in "De zaak Zonnebloem". Maria's gezicht is bleek en zelfs Elli zit voorin niet helemaal gemakkelijk. Door me geheel op de weg te concentreren, een truuk van broer Wessel, lukt het me om de mousaka binnen te houden.
"Hoe laat komen we aan?" vraagt Maria.
"Om 13:00," zeg ik.
"Maar nu is het 13:20," zegt Maria.
"Precies."
Na een korte maar eindeloze rit struikel ik de wagen uit, mompel een zwak "ade ja" zonder om te kijken en plof neer op de eerste de beste stoel die ik tegenkom, in de tuin, waar ik de rest van de middag verdwaasd blijf zitten. Arme Elli. Die moest nog helemaal door naar Athene in dit projectiel op wielen.

 

In de koelte van de avond was mijn gelaatskleur niet groen meer en had de mousaka duidelijkheid herkregen over de stabiele aard van de zwaartekracht. Ik nam plaats achter de pc van broer Thomás, even de email checken. Bij het opstarten rolde ik van mijn stoel van schrik. De donder rolde mij vanuit enorme mega-bass-speakers tegemoet. Thomás heeft als opstartgeluid een donderslag uitgekozen; dat is kennelijk waar Grieken in de hete zomer naar verlangen. 

Mijn mailbus stroomde zo snel vol met spam dat ik u mijn excuses moet aanbieden voor het feit dat ik uw urgente berichten over het hoofd gezien heb. Na het checken van de email deed ik de pc snel weer uit. Heerlijk om nu eens niet de hele tijd met computers bezig te zijn. In plaats daarvan ging ik liever in de tuin zitten om tussen de wijnranken door naar de bergen van Tímfi (2200 meter en hoger) te kijken.

Border police

Maria was inmiddels hersteld van haar keelontsteking. We gingen kamperen op Korfoe, niet al te ver van huis. Vanaf Kónitsa namen wij de bus naar Ioánnina. Halverwege hield de border police de bus aan. Twee agenten kwamen de bus in, keken eens naar alle passagiers. Vier mannen, die twee minuten eerder op de bus waren gestapt, moesten hun paspoort laten zien. Drie van de vier moesten de bus verlaten.
"Albanians", zei Maria. "Ze zijn makkelijk te herkennen aan hun gezicht. Veel van hen hebben geen papieren bij zich."
Ik wist niet goed wat ik hiervan moest vinden. Albanezen worden gecontroleerd maar die rare Hollander niet, dat leek mij een beetje oneerlijk. Wie weet zit er wel een Griek tussen zonder papieren, of een Albanees die eruit ziet als een Griek. Maar aan de andere kant ben ik blij dat er wordt gecontroleerd. Vanuit Kónitsa kun je Albanië zien liggen en dat was te merken: de bewoners waren bang voor Albanese struikrovers. Tijdens een bergwandeling een jaar geleden werd ik door twee soldaten gewaarschuwd voor Albanezen. Maar door intensieve patrouilles voelt men zich nu weer veilig. De drie Albanezen werden afgevoerd in een politiewagen en de bus vervolgde zijn weg naar Ioánnina.

De volgende dag namen we de bus naar Igoumenítsa en van daar de boot naar Korfoe.

Korfoe

Ochtendnevelen in de bergen tussen Ioánnina en Igoumenítsa.

 

Maria op Korfoe.

 

 

 

Nederland heeft bijna geen kolonies meer, zegt men. Fout. Korfoe is een Nederlandse kolonie. Waar je ook gaat, overal spreekt men Nederlands. In de bus gaan mensen je, na het zien van je rugzak, spontaan ongevraagd in het Nederlands uitleggen waar hun favoriete camping is. Langs de weg staat een bord met "scooter te huur", in het Nederlands, ja. De receptie van camping Karda beach is beplakt met ANWB-bordjes. Ik vroeg aan een gast where the beach was and if it was a nice camping. Hij zei dat the beach was only 3 minutes walking and that the camping was clean and quiet. Ik vroeg hem where he was from. Hij zei that he was from Holland
"Zullen we dan maar in het Nederlands praten?"

Korfoe heeft alle voordelen en nadelen van een toeristische trekpleister. Het is er druk. Er zijn veel winkels. Het is er druk. Er zijn veel stranden. Het is er druk. Iedereen praat Engels. Het is er druk. Er is een mooi imposant oud Venetiaans kasteel. Het is er druk. Het is er heet. Het is er druk.

Wij brachten onze tijd door onder een boom op het strand. De eerste middag viel ik in slaap met mijn handen op mijn buik. Toen ik wakker werd was de schaduw van de boom weggedraaid en was een prachtige afdruk van mijn handen in mijn buik gebrand.

Na een paar dagen wilden wij wel eens iets anders zien dan hetzelfde strandje. Wij zakten af naar Lefkáda, door sommige niet-Grieken ook wel Lefkas genoemd. Afzakken, dat klinkt heel eenvoudig en ontspannen. Dat was het echter niet. Het is enorm moeilijk om van Korfoe naar Lefkáda af te zakken.

Eventjes naar Lefkáda

Dat begint al wanneer je de boot hebt genomen naar Igoumenítsa. Na tien minuten wandelen en zes keer vragen heb je eindelijk het busstationnetje gevonden. Daar staan in een microscopisch kleine ruimte heel veel mensen met heel veel bagage te wachten, terwijl drie bussen - hoe zijn die ooit in staat geweest dit kromme steegje binnen te rijden? - de ruimte volpompen met uitlaatgassen. Na een uur kuchend wachten vertrekt de bus naar Préveza. Deze bus neemt niet de kortste weg, maar rijdt dwars door de bergen en doet daarbij vele dorpjes aan. De zon klimt hoog aan de hemel en het is heet. Een warme droge wind komt door alle openstaande ramen de brommende bus binnen en neemt in het voorbijgaan het zweet mee, wat mij een aangenaam kippenvel bezorgt. Lekker doezelend in de droge warmte, terwijl een ruig landschap voorbij trekt. Zo zou ik dagen achtereen willen reizen.

De bus komt aan in Préveza. We moeten met de veerboot oversteken. We schijnen geluk te hebben, want de boot staat voor ons klaar. Aan de overzijde wacht een onaangename verrassing: de bus is net vertrokken, en de volgende gaat twee uur later. Daar staan we dan in de brandende zon. Slechts enkele vierkante meter schaduw te vinden, maar bezet door andere reizigers. Waarom zijn we toch van Korfoe vertrokken? Daar hadden we nog een boom om onder te liggen. Naast ons staat een vrouw met twee kleine kinderen, die graag een taxi met ons willen delen. Na enig onderhandelen wordt met een taxichauffeur een aanvaardbare prijs afgesproken. De twee jongetjes gaan voorin zitten, de kleine bij de grote op schoot. Maar moeder vindt dat niet goed en neemt de kleine bij haar op schoot, achterin. De volle taxi vertrekt en racet van de veerpont naar Lefkáda-stad. Het land is plat, de weg is saai, rechte stukken zijn met bochten aan elkaar genaaid. De taxi remt nauwelijks in de bochten. Vlakbij Lefkáda staan we stil voor een open brug.

Het kleine kind naast me begint zonder enige aankondiging te kotsen. We zijn allemaal verrast maar de moeder reageert onmiddellijk: zij trekt het T-shirt van de jongen naar voren om zoveel mogelijk kots op te vangen. Het portier gaat open, nu we toch stil staan, en het kind wordt weinig zachtzinnig buiten gezet en kotst daar nog een minuut door. De taxichauffeur kijkt ongelukkig naar de kots op de bekleding, maar lijkt te beseffen dat het kind er ook niets aan kan doen. Het kind had vanaf moeders schoot geen uitzicht op de weg en dan komend die keiharde bochten wel erg rauw op je dak vallen. Greek drivers, err?

In Lefkáda stad nemen wij weer een bus, na anderhalf uur wachten. Maria vraagt aan de buschauffeur waar de campings zijn. Helaas blijkt dat we een half uur moeten lopen. Dat valt niet mee in de hitte van de middag, met volle bepakking op onze ruggen. Bezweet kwamen wij aan bij de camping. Daar worden vrijwel alle lege plekken net opgevuld door pas aangekomen reizigers. Hee... zaten die niet bij ons in de eerste bus en op de veerboot en in die andere taxi en in de laatste bus? Ze zijn slimmer dan wij geweest, zijn uit de bus gestapt in het laatste dorpje en hebben daar een taxi naar de camping genomen.

Een oude man komt op ons af en bromt "What do you want?" Wij leggen dat rustig uit en de man wijst ons naar zo ongeveer de enige lege plek op de camping. Daar beginnen we onze bepakking uit te pakken. Halverwege komt een jonge kerel aanstormen. 
"Who told you that you could put your tent here?" valt hij uit. 
Wij leggen dat rustig uit. 
"Don't ask him anything. I'm in charge now!" en wij hebben zo'n vermoeden dat ze familie van elkaar zijn. De vent neemt ons mee naar een andere plek. We hebben inmiddels de hele camping gezien en het valt op dat alle tenten en campers bumper aan bumper staan. Er is werkelijk geen centimeter speling. Met groot vernuft is deze puzzel in elkaar geschoven. Kijk daar, als die Duitser zich omdraait, stoot hij die Belg ernaast van zijn luchtbed af. Hier is met recht sprake van een Europese gemeenschap! Na lang getwijfel of we wel de tent moeten opzetten, het is warm, besluiten we dat toch te doen, er zijn muggen. Dan is het tijd om te zwemmen. Maar onderweg naar het kiezelstrandje zien we het onmogelijke gebeuren: een boot op een trailer komt het pad afzakken, tussen alle tenten en campers door, op weg naar de baai. De boot gaat in het water, verwachten wij. Nee dus. Men besluit om de boot midden op het pad te laten staan. De puzzel is daarmee compleet: nu kan echt niemand meer in of uit, behalve acrobatische voetgangers. En muggen.

Orthodox vakantiekamp

We voelen ons claustro en gaan de volgende dag (de boot staat er nog steeds) terug naar Kónitsa. Maar onderweg zoeken we Maria's vader op, die bijklust in een orthodox vakantiekamp nabij Préveza. 

Maria instrueert mij van tevoren, dat het beter is om een lange broek aan te trekken, netjes "yá sas" en "ti kánete" tegen iedereen te zeggen, de beleefde vormen van "dag meneer/mevrouw" en "hoe gaat het met u". Gelukkig heb ik mijn Griekse basisuitdrukkingen goed geoefend en mijn uitspraak van deze beleefdheden is nauwelijks van echt te onderscheiden.

Als we aankomen begroet Maria's vader ons hartelijk maar neemt ons meteen apart in zijn kamertje. Er blijkt net een groep oude dametjes gearriveerd te zijn, die door de kampleider met een stichtelijk woord begroet worden. De vrouwtjes komen elk jaar om te genieten van preken, een strak dagritme en gezellig bijkletsen. Na het welkom moet de gezondheid van enkele wegblijvers uitgebreid besproken worden. Dan mogen wij het terrein betreden.
"Yá sas, ti kánete?" zeg ik tegen de kampleider.
De man kijkt vragend.
"Yá sas, ti kánete?" verduidelijkt Maria. Zijn gezicht klaart op.
"Kalá" (goed), zegt hij.

Dan is het tijd voor de lunch en mogen ook wij aan de tafels schuiven. De tafels staan onder een groot afdak. De zon wordt tegengehouden maar de wind heeft vrij spel, wat erg aangenaam is want de temperatuur stijgt tot zo'n 40 graden. Voor het eten wordt netjes gebeden. Na het eten wordt een toespraak gehouden. Maria vertaalt: de mens moet in zijn verlangens enige bescheidenheid tonen; geen eindeloos najagen van geld, tweede auto en derde TV, maar op een moment zeggen "nu heb ik genoeg" zodat er ook nog wat welvaart overblijft voor een ander. Dat spreekt mij wel aan. Ik gun al die Nederlandse managers die zichzelf 12% salarisverhoging hebben gegeven zo'n preek. (Die salarisverhoging bovenaan deze pagina was natuurlijk maar een grapje ;-)
Daarna gaat het over god en daar heb ik eerlijk gezegd niet zo'n verstand van, vooral als ik er niets van versta. Ik geloof dat het ook voor verstaanders een beetje saai werd, want het dochtertje van de kokkin, dat tegenover mij zat, begon behoorlijk te gapen. Ze zag mij daarom glimlachen, en moest zelf ook lachen. Wij begrepen elkaar.

Maria fluistert mij in het oor dat de kampleider een goed mens is en al heel veel mensen in nood heeft geholpen.

Aan alles komt een einde, ook aan saaie toespraken. Hoog tijd voor een frisse duik! Ik moet van Maria mijn lange zwemshort dragen om de dametjes niet te shockeren. Ik sputter tegen dat ook met mijn korte zwembroek er niets shockerends te zien is, maar Maria spreekt dat lachend tegen. 

Let op de kapstok.

 

 

Het strandje is werkelijk ongelooflijk saai. Een lange rechte lijn, her en der wat zeewier in het water, een betonnen pier om het zeewier te passeren. Ik zal een foto bijvoegen, dat u het kunt zien. Twintig meter verder staat een douche. Opmerkelijk is de kapstok die aan het begin van de pier staat. Daar hangen de dametjes keurig hun handdoek op. Niet dat je hier een handdoek nodig hebt, want op het heetst van de dag volstaat twintig seconden langzaam ronddraaien in de wind om je geheel droog te feunen.

Na het zwemmen is het tijd voor siësta. De dametjes verdwijnen in hun kamertjes. Ik rol mijn matje uit ergens tussen de eettafels, want die schaduw-met-wind-combinatie sprak mij wel aan.

Het is verbazend hoe het avondeten op de lunch lijkt. Het eten is totaal verschillend, maar de rest is precies hetzelfde: gebed en preek. Na het eten worden Maria en ik uitgenodigd voor een gesprekje met de kampleider. Het voelt een beetje alsof we op audiëntie gaan bij de paus, maar dan op een camping. De twee kinderen van de kokkin en nog een meisje draaien om ons heen, want een Nederlandse gast, dat vinden ze wel erg bijzonder. De kampleider vraagt ons wat algemene dingetjes, en dan schakelt hij over op zijn stokpaardje: religie. 

Beste lezer, wellicht is u bekend dat het katholicisme voortkomt uit het orthodoxisme, en het protestantisme weer uit het katholicisme. De kampleider vraagt mij, een beetje als een liefhebbende vader tegen zijn afgedwaalde zoon: "Toen de protestanten zich afscheidden van het katholicisme, waarom zijn ze niet teruggekeerd naar de bron?" Want veel orthodoxen vinden zichzelf de enig juiste bewaarders van de erfenis van Christus. Ik haal mijn schouders op. Hier kun je een discussie over beginnen, maar ach, ik weet het ook allemaal niet. Ik twijfel over religie en dat wil ik graag zo houden. 

De kinderen hangen om de hals van de kampleider en ze wenden al hun charmes aan: ze willen buiten het kampterrein ijsjes gaan eten. Hij geeft toe en de kinderen zijn blij.

Maar eerst worden wij naar de bushalte gebracht. Als we onze rugzakken klaar hebben gezet klinkt een gepruttel en geplof. Een stokoud VW-busje komt voor rijden. De bekleding lijkt wel gatenkaas en de roest kriebelt ons tegemoet. Kampleider zit achter het stuur en de drie kinderen hebben geheel achterin plaatsgenomen. We vertrekken met achterlating van een grote grijze wolk. 

De kampleider doet het rustig aan. De heuvel op neemt hij een beetje vaart, schakelt dan van tweede naar derde versnelling, maar doet dat zo langzaam dat de snelheid afneemt en hij toch weer terug moet naar de tweede. Langs de grote weg worden wij neergezet. Wij nemen hartelijk afscheid, de kinderen gieren van het lachen als ze hun Engelse goodbye diverse keren op mij uitproberen. Zwaaiend verdwijnt het clubje in het zijweggetje, terug naar het kampterrein. Wij staan in de stilte van de zakkende zon en het lawaai van langsrijdende auto's, temidden van ruďnes, want hier is Nikopolis. Deze stad is gesticht door Octavianus, na zijn overwinning op de zeevloot van Antonius, toen die hier door zijn minnares Cleopatra in de steek werd gelaten. Na zijn overwinning werd Octavianus keizer onder de naam Augustus. Nikopolis verrees waar Augustus zijn tent had staan. 

De eerste tien minuten dat de bus ons meevoert staan nog steeds overal ruďnes, en flinke ook. Nikopolis is groot. We nemen ons voor om hier ooit een kijkje te gaan nemen.

Maar nu is het tijd om voor gastheer te spelen. Twee Nederlanders, een dichteres en een leraar Nederlandse literatuur die ik maar even Sidonia en Lambiek noem, komen voor twee weken naar Paleosélli om daar hun vakantie door te brengen. Maria en haar moeder zijn enorm nerveus. Ze willen echt alles perfect hebben. Ik zie het allemaal wat makkelijker: ze komen ook een beetje voor het avontuur. Bovendien is het de eerste keer dat we het huis verhuren. Je kunt er dus donder op zeggen dat het niet perfect zal zijn. We vangen Sidonia en Lambiek op in Kónitsa. Sidonia blijkt uitstekend Grieks te praten en babbelt een eind weg met moeder waar ik jaloers van word. Dan rijden we dan met ze mee naar Paleosélli om ze de weg te wijzen. Er is een probleem. De elektriciteit doet het niet. Maria's moeder vraagt de elektricien om te kijken, maar die laat op zich wachten. Maria en moeder worden behoorlijk zenuwachtig. Als de gasten er even niet bij zijn beginnen ze elkaar zelfs op sissende toon toe te spreken. Net als ik het ergste vrees voor de sfeer, arriveert eindelijk de elektricien, die gewoon heel simpel een nieuwe stop indraait. Goh, was dat nu alles? Als we dat geweten hadden.

Net toen de elektriciteit het deed, viel het water uit. Gelukkig hadden Sidonia en Lambiek inmiddels net gedoucht. We kunnen niets aan het water doen; dat valt wel eens uit door het beperkte aanbod en doordat in het dorp iedereen tegelijk zijn moestuintje met bonen en courgettes wil besproeien. Gelukkig is op een minuutje lopen een bron waar men drinkwater kan halen.

Die avond trakteren we de gasten op mousaka. Sidonia en Lambiek zijn helemaal impressed door het onbelemmerde uitzicht vanaf het terras op zo'n beetje het gehele Tímfi-gebergte. Langzaam wordt het donker terwijl we praten over onze dagelijkse bezigheden en over Griekse muziek. Sidonia en Lambiek houden namelijk van Griekse muziek.

Als de gasten naar bed gaan vertelt Maria mij dat ze tijdens de maaltijd een schorpioen zag op de muur pal achter de gasten. Zonder dat ik of de gasten er iets van merkten, waarschuwde ze moeder, die geheel onopvallend het beest uit de weg ruimde.

De Nederlandse gasten schrikken nog even flink. Niet van schorpioenen, maar van de buurman. Die is psychiatrisch patiënt en ziet eruit alsof hij een maand in de rimboe heeft gesurvivald, en hij ruikt ook zo. Die stond ineens in de woonkamer. Maar dat was wel op te lossen: de voordeur gaat op slot en de achterdeur wordt in gebruik genomen. En de buurman is waarschijnlijk erger geschrokken dan de Nederlanders, dus die laat zich niet meer zien.

De twee ijzersterke punten van Kreta

Gelukkig voor de gemoedsrust van Maria laten we de gasten aan de goede zorgen van moeder over en gaan wij naar Athene om samen met Maria's Griekse vrienden, die ik maar even Frits en Annie zal noemen, naar Kreta te gaan. Frits is opgegroeid op Kreta en kent het op zijn duimpje. Hij is componist en ziet er uit als een soort aapmens, kort, stevig met overal zwart haar. Annie is daarentegen het volstrekte tegenbeeld: lang, slank, elegant en soepel. Ze studeert piano. Behalve muziek en bed delen ze nog iets anders: hun liefde voor naturisme.

"Er was hier vorige week een aardbeving", zegt Frits terloops, op een manier van "vorige week regende het". Dan rinkelt ineens hun mobieltje, met zelfgecomponeerde frisse deun.
"Vinden jullie het goed dat er nog een paar mensen meegaan?" vragen ze terloops, op een manier van "lust je een koekje?" We hebben net acht uur in de bus gezeten op weg naar Athene. Is dat voor niets geweest als we nu nee zeggen? We zeggen ja.

We slapen op het dek van de boot naar Chánia, Kreta. In Chania ontmoeten we de vrienden van Frits en Annie. Die stormen onmiddellijk op Frits en Annie af, en moeten eerst een half uur bijpraten. Het zijn heus aardige mensen, maar moeten we hier nu een week mee optrekken? De voertaal verandert van Engels naar Grieks en slechts uit beleefdheid wordt in mijn aanwezigheid af en toe een woordje Engels gesproken. Maria en ik voelen ons ongelukkig. We hadden ons verheugd op een weekje samen met onze vrienden, maar die moeten we nu delen met wildvreemden, op een afgelegen wildkampeerplaats in Sóuia, zuidwest Kreta.

Iedereen doet wel zijn best, daar niet van. De vriend van Frits maakt grapjes als we aan het strand zitten. "Do you like the horizon?" vraagt hij. Eh... Daar vraag je zo wat.

De drie heren in ons gezelschap, mij inbegrepen, gaan wandelen in de Samariá-kloof. Ik sla de avond van tevoren voor mezelf wat voedsel in. Dat blijkt niet de bedoeling. De andere heren willen één tas om beurten dragen en alle voedsel gezamenlijk aanschaffen. Als ik mijn voedsel laat zien wordt dat schamper bestempeld als junk food omdat er een rol koekjes tussen zit. Men gaat tomaat, kaas, brood en ander krachtvoer aanschaffen. Ik heb het gevoel in een commune beland te zijn.

Samariá

De volgende ochtend staan we voor dag en dauw op, gaan met de bus naar het dak van Kreta, 2000 meter hoog. De bus klimt gestaag. Als ik denk: goh, wat zijn we hier al hoog, gaat de bus gestaag door. Dan denk ik: goh nu zijn we echt hoog, maar de bus gaat nog steeds gestaag verder. Dan stopt de bus in de middle of nowhere: iedereen uitstappen. Geen kloof te bekennen. Dat klopt, want hier moeten we overstappen op een andere bus. Die arriveert wonder boven wonder al na een halve minuut. Die bus begint meteen flink te klimmen. Ik vind het nu eigenlijk wel hoog genoeg, maar de chauffeur denkt er anders over. Ergens ver boven ons, nog véééél hoger, zien we een weggetje tegen de kale berg op lopen. "Dát is pas hoog," denk ik eerbiedig. Een half uur later zijn we daar. Maar de bus klimt nog eens flink verder. Ik begin mij grote zorgen te maken: dit hele eind moeten wij straks weer naar beneden lopen. Het landschap ziet er inmiddels totaal anders uit: woest, groen, koel, kaal. Nog een paar keer denk ik dat we nu toch echt hoog genoeg zijn maar de bus klimt en klimt en klimt.

Op de top is een grote parkeerplaats waar 5 touringcars staan, en een winkel waar men nog wat proviand kan inslaan. Voor de ingang belanden we tussen een grote groep Fransen die daar staan te wachten. Enkele Franse meisjes trekken tot onze grote verbazing jacks en pull-overs aan. Wij vinden het juist lekker fris, zo hoog en vroeg, ideaal wandelweer. Die kleding gaat na 1 minuut lopen uit, voorspel ik. Inderdaad.

In de kloof is het een drukte van belang. De weg gaat van 2000 meter naar de zee, dat is een enorme afdaling. Maar we zien veel mensen met grote passen omlaag denderen. Als ik dat zou proberen, dan lag ik na een uur met mijn probleemknie langs de kant.

Het wordt snel warmer. Gelukkig zijn er veel bronnen met drinkbaar water. Ik vul mijn hoed met water en zet hem dan op mijn hoofd, inclusief water. Omstanders roepen kreten van verbazing. Het water druipt over mijn kleren, maar dat geeft niet, ik blijf lekker koel.

Aan weerskanten rijzen de rotswanden steeds hoger op, hun schaduw werpend over het stenige pad. Ik denk dat we halverwege zijn, wijst Frits op het kaartje. Ik heb daar zo mijn twijfels over. En ja, al gauw blijkt dat we slechts op 15% zijn. Halen we straks de boot wel, vragen we ons ineens af. Die boot hebben we nodig om naar onze camping terug te keren, en naar onze vrouwen. "Willen we dat wel?" grapt de vriend van Frits. Zo ontstaat een jongens-onder-elkaar sfeertje, waar ik mij niet geheel prettig bij voel. Ik vind mijn vriendin toevallig aangenaam gezelschap, hoor!

Er gaan nog meer grappen in het rond. Langs de weg staat een bord met "11" (elf). Dat is kennelijk het aantal kilometers dat we nog te gaan hebben.
"Ik ken een leuke mop over elf. Twee bouwvakkers werken aan een huis, de een boven, de ander beneden. De bovenste roept: 'hoeveel?' waarop de benedenste antwoordt: 'elf!'. De bovenste roept weer: 'hoezo elf?' waarop de benedenste antwoordt: 'hoeveel waarvan?'"
Goh, die is wel leuk, die vertel ik aan Maria.

Halverwege de kloof lunchen we. Een kleine rekensom leert dat we met de huidige snelheid niet op tijd bij de boot zijn. Met dit in het achterhoofd gaan we wat sneller lopen. Dat kan ook, want het steilste deel hebben we gehad. Het landschap wordt echter niet minder spectaculair. Aan beide kanten rijst een loodrechte rotswand honderden meters omhoog. De smalste doorgang is 3 meter breed. Ver boven ons, ergens tegen de verticale rotswand, draaien zwarte berggeiten achteloos rond. Mijn knie begint te sputteren, maar enige massage blijkt te helpen. Onze eindsprint geeft het begrip "afzien" nieuwe inhoud. We halen de boot. Op de boot zak ik in elkaar en kan alleen nog zitten. Iedereen gaat aan bakboord zitten omdat daar de kust langs glijdt. Ik zit liever rustig aan stuurboord. Een Nederlandse legt aan een Grieks koppel uit hoe Amsterdam eruit ziet. Verderop flirten Franse jongeren met elkaar. Ik wil slapen.

Terug op de kampeerplaats is Maria helemaal ongelukkig. Haar goede vriendin Annie heeft nauwelijks tijd aan haar besteed en vrijwel alleen met de vreemde dame gekletst. Als Maria binnengehoorsafstand kwam, vielen de dames ineens stil, alsof hun gesprek top secret was. Maria voelde zich buitengesloten. We beginnen met het idee te spelen om de "vrienden" achter te laten en op eigen houtje verder te trekken. 

Ik probeer Maria op te vrolijken.
"Twee bouwvakkers werken aan een huis, de een boven, de ander beneden. De bovenste roept: 'hoeveel?' waarop de benedenste antwoordt: 'elf!'. De bovenste roept weer: 'hoezo elf?' waarop de benedenste antwoordt: 'hoeveel waarvan?'"
Maria kijkt me aan. "En toen?"

Die nacht is het bloedheet. Een feunwind, wat zeg ik, feunstorm recht vanuit de Sahara maakt het slapen bijna onmogelijk. Waarom gaan we toch kamperen op het heetste plekje van heel Griekenland, op het heetst van de zomer?

Maria hoort er niet bij.

 

 

De volgende dag gaan we naar een andere wildkampeerplaats. Met de auto rijden we eerst de berg op en dan westwaarts de berg weer af. De vrienden van Frits en Annie volgen in hun eigen auto. Na een dorpje houdt ineens het asfalt op en volgt een pad van stof en steengruis. Is dit de goede weg, vraagt Frits aan een inboorling. Ja. Nou, vooruit dan maar. Heel voorzichtig zakken we de berg af.

Na tien minuten slakkengangetje verschijnt achter ons een stofwolk. Twee seconden later stormt een andere wagen voorbij, verdwijnt in tien seconden uit het zicht, en laat ons achter in een stofstorm, zo dik dat we het stof uit de lucht kunnen grijpen. Frits kijkt met openhangende mond naar de verdwijnende auto. Dat kan ik ook, denkt hij. Hij kucht, trapt het gaspedaal in en temidden van rondspattende steentjes racen wij de andere auto achterna. Maria wordt groen in haar gezicht.
"Paris-Dakar," vat ik mijn mening samen.

Ik zal u niet vermoeien met details over de volgende wildkampeerplaats, behalve dat het er naar poep rook. We zwemmen in zee. Annie en Frits zwemmen naakt. Maria en ik zwemmen met zwemkleding. Frits en Annie lachen ons uit, vinden ons conservatief en totaal niet hip.

's Avonds gingen wij naar het bijzijnde buurtschap om te eten. Dat viel niet mee: de landstrook bevatte een wirwar van onverharde weggetjes. Vele daarvan gingen nergens heen, maar geen enkele wegwijzer gaf dat aan. Ineens was daar een grote asfaltweg, nee echt, enorm breed, het leek wel een snelweg, zo breed. Hier zou een 737 met gemak kunnen landen. Maar de vreugde duurde kort. Ruim voor het strand, midden in het buurtschap, was ineens het asfalt op en ging slechts een gruispad verder. We keken nog even verder maar besloten dat die asfaltweg waarschijnlijk niet voor niets bij dat restaurant ophield, dus gingen we daar maar eten.

Op de terugweg was het volslagen donker. Oei, wat was nu ook alweer de weg waar we vandaan kwamen? Die halve kilometer snelweg lukt nog wel, maar dan? Alles zag er grauw uit. Planten leken geen enkele kleur meer te bevatten, om van de rotsbodem maar niet te spreken. Alles leek op elkaar en op een maanlandschap. Ik keek naar buiten en zag daar sterren staan. Houston, this is Eagel, what's our position? Door de poolster te zoeken konden we een beetje navigeren, al had ik steeds de neiging om het raampje dicht te draaien om geen zuurstof te laten ontsnappen.

Na een uur rijden stonden we weer op de asfaltweg die we hadden verlaten, terug bij af.

Hoe weet ik niet meer, maar we slaagden erin om voor zonsopgang weer terug te zijn bij de tent, na grondige bestudering van alle grindweggetjes op de landtong.

De volgende dag hakte ik de knoop door. Ik wil naar Sandoríni, zei ik tegen Frits en de rest. Goh, wat een verrassing. Wanneer? Vanmiddag. Wat, vanmiddag al? Ik kon niet zien of men dat prettig vond of niet, maar ik was erg blij nu de kogel door de kerk was. Kennelijk de vriend van Frits ook, want die bood onmiddellijk aan om uit te zoeken wanneer de boot ging naar Sandoríni. Een soort diplomatieke variant van: "jullie zijn saai en onaardig, ik wil weg" en "wij vinden jou ook niet leuk, donder op".

Maar Frits begreep helemaal niet waarom we weggingen. Toen hij Maria en mij naar een bushalte bracht, zei hij dat ik niet zo'n haast moest hebben, dat ik gewoon een paar dagen moest blijven en dat ik dan vanzelf beter het Griekse leven zou leren kennen, en dat ik nu een oppervlakkige toerist zou blijven, en dat ik me meer moest ontspannen. Ik had geen zin om een discussie te beginnen. Maar Maria ging er tegenin: ze zei dat Frits best eerder had mogen zeggen dat er voor ons wildvreemden meegingen, en dat hij niet kon verwachten dat het zomaar zou klikken, alleen omdat hij met beide partijen goed kon opschieten. Dat het voor hem makkelijk praten was omdat hij het sociale middelpunt was. Maar we hadden niet het gevoel dat het tot Frits doordrong. Sociaal gezien is hij zo subtiel als een aap, net zoals hij eruit ziet. Pak een banaan en wees gelukkig.

Misschien is het ook iets cultureels. De vrienden van de vrienden van een Griek zijn ook zijn vrienden, we zijn allemaal één grote vriendenclub - zolang er maar geen Turken bij zijn.

Sandorini. Nee, wacht. Geen Sandorini.

In hetzelfde buurtschap, maar nu bij zonlicht, namen we een frisse duik voordat de bus vertrok. Heerlijk, eindelijk weer vrij, eindelijk kunnen we weer gewoon zelf bepalen waar we heen willen! Van de weeromstuit begon ik het landschap ineens mooi te vinden. Of was het omdat de zon de kleuren tot leven bracht?

De bus nam ons van de zuidpunt mee naar Chánia, daarbij de bergen doorkruisend. Hoog in de bergen keken we verbaasd rond, want wat was het hier enorm groen! Voor al in een dorpje genaamd Elos keken we verbaasd naar de hoge bomen en we waanden ons in Frankrijk. De kustlijn bij Chánia was wat minder mooi, erg toeristisch, maar vermoedelijk wel aangenaam met appartementen pal aan het strand. De bus liet ons achter in Chánia, waar Maria op jacht ging naar boottickets. Dat was niet eenvoudig. Het was een drukke tijd en tickets waren schaars. Sandoríni hadden we uit ons hoofd gezet, want ik wilde de 18de augustus naar de top van de berg Smólikas lopen. Dus hadden we besloten om direct naar Épirus terug te keren: toch al gauw 24 uur reizen. Maria kwam vrolijk terug.
"Ik had heel veel geluk," zei ze. "De boot zat vol, maar het meisje vóór mij bracht tickets terug omdat haar familie ziek was geworden. Daardoor hebben wij nu tickets."

En ze gaf mij een ijsje. Niet zomaar een ijsje. Een Krikri. Beste lezer, Kreta heeft twee ijzersterke punten: de Samariá-kloof en Krikri ijs. Bent u ooit op Kreta, verlaat het eiland dan niet voordat u Krikri heeft gegeten! Wat een zachtheid! Wat een ronde smaak! Verrukkelijk! Ik was weer helemaal gelukkig, samen met mijn schatje, vrij om zwemkleding te dragen en junkfood te eten.

Maria en Thomás op het dorpsplein van Konitsa.

 

 

De border police van Kónitsa

Ons filmrolletje met foto's van de kloof brengen we in Kónitsa naar de fotozaak van Lámpros Ráptis. Hij is zo'n beetje dé fotograaf van Kónitsa. Komt u in Kónitsa, koop dan zijn prachtige ansichtkaarten van de regio. Dankzij de introductie van Maria's broer Thomás krijg ik gratis een nieuwe film en een albumpje kado. De medewerker van Ráptis komen we die avond weer tegen bij het hipste café van heel Kónitsa (een blok beneden het plein gelegen), waar hij achter de draaitafel een aangename mix verzorgt. Bij het café zitten ook enkele oude klasgenoten van Maria. Eén van hen werkt bij de border police. Hij vertelt over zijn werk.

Albanezen vangen

Het politiekorps van Kónitsa is voorzien van een infraroodkijker. Voor de rest is het een kwestie van goed kijken, aanvoelen welk bergpad de Albanezen zullen nemen, en dan de groep, soms tot wel 100 mensen groot, opwachten. Er zijn slechts drie bewapende agenten voor nodig om zo'n groep te omsingelen. De Albanezen doen altijd net of ze geen Grieks spreken, maar blijken al gauw de agenten heel goed te verstaan. Door al dat lopen in de bergen heeft de agent een uitstekende conditie. Waar normale wandelaars zes uur over doen, doet hij in vier. Hij vindt het wel jammer dat hij in zijn werk niet altijd kan roken: dat zou 's nachts meteen te zien en te ruiken zijn. Vind hij het niet erg om die arme mensen, op zoek naar een beter bestaan, terug te moeten sturen naar de armoede? Daar staat hij niet echt bij stil. Hij doet gewoon zijn werk. Problemen als armoede moeten de politici maar oplossen.

Sidonia en Lambiek, onze Nederlandse gasten, vertrekken vroeger dan gepland uit Paleosélli. Er is een festival in het dorp gaande, waarbij alle bewoners worden getrakteerd op traditionele Epirotische muziek. Dat betekent een bandje met onder andere een klarinet en een zanger, waarbij klarinettist en zanger er een wedstrijd van maken om zo acrobatisch mogelijke melodieën voort te brengen. Sidonia en Lambiek leken dat soort muziek eerst wel mooi te vinden, maar hebben zich na drie dagen lang dezelfde glibbermuziek nu toch laten wegjagen, tezamen met enkele andere Nederlandse gasten, waaronder de man die aan de wieg stond van de Teleac-cursus Oriste.

Na voorzichtig polsen van mijn kant zei Sidonia dat het huis twee nadelen had. De buren maakten lawaai met hun hond en baby. Toen ze op een avond zelf een beetje vrolijk waren, stond de buurvrouw van de andere kant op de stoep te klagen. 
Het tweede probleem was dat bij intensief gebruik van het elektrisch fornuis de stop wederom was doorgeslagen. Men adviseerde mij het genoemde aantal van 9 mogelijke gasten te verlagen tot 4, ofwel de keuken te upgraden. En de buren? Tja, daar valt helaas weinig tegen te beginnen. Wel zullen we voortaan bezoekers waarschuwen voor het jaarlijkse festival.

Oma!

De achttiende nadert en dat betekent bergwandelen. De dag tevoren gaan Thomás, Maria en ik naar Paleosélli en zoeken uit wie er naar de top van Smólikas gaan. Dat is belangrijk, want het valt niet mee om in de bossen de weg te vinden. Maria blijft thuis. De nicht van Maria, die ook Maria heet, wil ook naar boven. Ook twee kennissen van haar willen naar boven.

Nicht Maria laat trots haar kind van 1 jaar zien. We kijken met open mond van baby naar vader Sotíris. Twee druppels water. Als die ooit mee zouden doen met zo vader zo zoon, dan wint iedereen, binnen 1 seconde.
"Say that he looks like me!" zucht nicht Maria wanhopig.
"Probably he has your character," zeg ik voorzichtig.

Paleoselli. Maria droomt weg bij het zicht op het Tímfi-gebergte.

In Paleosélli verblijft ook Jajóela. Jajóela betekent omaatje. Ze is de oma van Thomás en Maria, de moeder van Tassía en Evchenía. Begrijpt u het nog? Jajóela is oud, zo oud dat ze gerimpeld krom loopt, en wel zo langzaam loopt dat alle tijdswinst van alle razendsnelle automobilisten van Griekenland hiermee tenietgedaan wordt. Toen ik haar in 1999 voor het eerst ontmoette, kuste ik haar op de gebruikelijke Hollandse manier, dat haar gerimpelde wangen er rood van werden. Sindsdien noemt ze mij een "erg lieve jongen".

We lopen het terras van Jajóela op. Als Thomás voor zijn omaatje staat, kraait ze van plezier: kijk die brave Hollandse jongen is terug! En schudt hartelijk de hand van Thomás, niet in de gaten hebbend dat die "Hollandse jongen" haar eigen kleinzoon is. Thomás speelt mee en antwoordt in het Engels.
"....?"
"I'm fine. How are you?"
"....!"
"Yes, very nice to see you too."
"....?"
"This morning."
"....?"
"My parents are fine. They are coming to Greece next week."
"....!"

Naar de top van Smólikas! Eh... Verdwalen!

De volgende ochtend om 7:30 is geen spoor te bekennen van ons wandelgezelschap. Nicht Maria heeft de gehele laatste avond van het festival doorgefeest en ligt te maffen. Hetzelfde geldt voor haar kennissen. Thomás en ik staan er alleen voor. We besluiten naar de berghut te wandelen, waar veel dorpelingen bij elkaar komen om te barbecuen. Hopelijk treffen we daar mensen aan die ook naar de top willen. 

Halverwege de berghut lopen we verkeerd. We komen op de slingerende onverharde autoweg naar de berghut terecht, dat is niet echt de bedoeling want die is een stuk langer dan het pad. Een uurtje op weg en nu al verdwaald... De hoop om de top van Smólikas te bereiken vervliegt als sneeuw voor de Griekse zomerzon. Thomás en ik verschillen van mening. Ik stel voor om toch de weg te volgen, ook al is die langer. Thomás wil terug lopen om het pad te vinden. We horen verderop langs de weg honden blaffen. Thomás zegt dat het wilde schaapshonden zijn, die je maar beter niet kan tegenkomen. Ik geef Thomás de leiding: hij woont hier en kan de situatie het beste inschatten.

Twintig minuten terug ontdekken we waar we verkeerd zijn gelopen. Er is een splitsing, waarvan het juiste pad er nauwelijks als een pad uitziet. Een wegwijzer staat honderd meter verder en die kan je nét zien, als je weet dat hij er is.

Eenmaal terug op het pad kijken we beter uit ons doppen. We komen bij een vlak weilandje en daar horen we de stem van moeder. Vader en moeder zijn later vertrokken, maar kregen een lift met een auto naar de berghut. Moeders stem wijst ons de weg. Twee uur na ons vertrek komen we bij de berghut aan. Daar staan enkele auto's en zijn mensen bezig om vuur te maken voor de barbecue en om flessen bier en frisdrank in het koele water van de aanwezige bron te leggen.

Er komt net een auto aan met een Griekse fotograaf, een Griek uit Athene en zijn Duitse vriendin. Zij willen ook naar de top van Smólikas, dus Thomás en ik hebben ons reisgezelschap gevonden. We hebben weer hoop om de top te bereiken.

We gaan op weg en al meteen blijkt dat iedereen sneller loopt dan ik. Het bijhouden van de anderen doet mij het zweet uitbreken.

Ooit ga ik nog eens een wandelclub oprichten met de naam "wandelende slakken".

Smolikas. Nog maar drie uurtjes lopen.

 

 

 

Gelukkig wordt er af en toe gerust. Het pad gaat omhoog door bossen en besloten velden. Af en toe staat er een zwartgeblakerde boom. Die is blijkbaar door de bliksem getroffen. Een uurtje of anderhalf na de berghut komen we in meer open terrein en daar zien we de top van Smólikas liggen. Ik kan moeilijk zien of dat nu ver weg is of niet. Maar dan zien we op de uiterste top stipjes bewegen. Slechts de beweging verraadt dat het om iets levends gaat. Schapen, denkt de Griek uit Athene. Maar schapen vinden het niet leuk om op zo'n kale top te staan. Het zijn mensen.

Als we na een half uurtje een fractie dichterbij zijn, zien we toch schapen lopen, maar dan op de flank van de berg, waar nog wat gras groeit.

"Onno, waarom hijg je zo? Ben je moe?"

 

 

Ineens rinkelt de broek van Thomás. Hij pakt zijn mobieltje. Het is Maria, die vraagt waar we zijn. Terwijl ik het toestel overneem en hijgend onze positie doorgeef, maakt Thomás een foto. Mijn laatste serieuze bergwandeling, in de Slowaakse Tatra in 1992, moest zich geheel zonder moderne communicatiemiddelen voltrekken. Wel raar ineens dat je op zo'n afgelegen plek een live verslag kunt geven. Vluchten kan niet meer.

Ineens wordt het druk, paden komen bij elkaar, er zijn allerlei mensen die ook naar Smólikas lijken te gaan. Zelfs kinderen en een dikke mevrouw op leeftijd, nogal puffend. De meesten lopen we echter voorbij. Ruim twee uur na de berghut bereiken we het Drakenmeer, Drakólimni.

De Athener en de fotograaf bij het Drakenmeer, Drakólimni.

 

Thomás bij het Drakenmeer. Op de achtergrond Smólikas, nog maar twee uurtjes lopen.

 

 

 

Uitgebreide pauze. De fotograaf neemt foto's. Helaas zal ik wel nooit weten in welk Grieks tijdschrift mijn tevreden gestalte aan de rand van Drakólimni staat uit te hijgen. We zitten, eten wat, we pootjebaden in het meertje. Er zwemmen salamanders rond, minidraakjes. De Duitse vriendin van de Athener en ik speculeren of daar soms de naam "Drakenmeer" vandaan komt. Of komt het door de libellen (dragon flies) die hier rondvliegen? Maar nee, het Griekse woord voor libel lijkt in de verste verte niet op "dragon" of "drako". We houden het op de salamanders.

Een kudde schapen komt over de rand aanlopen met twee herders aan het hoofd. De Athener praat wat met ze.
"Tja, best mooi hier," zeggen ze, "maar als je hier iedere dag moet zijn gaat het gauw vervelen." Filosofische woorden! Misschien geldt dat wel voor alle mooie plaatsen.

Verfrist wandelen wij verder omhoog. De dikke mevrouw en de kinderen gaan niet omhoog; ze kwamen slechts voor het drakenmeer en keren tevreden puffend huiswaarts. De fotograaf loopt voorop, blijft niet meer op ons wachten, maar verdwijnt razendsnel op de met ruig puin bezaaide helling. Een echtpaar op leeftijd trekt ongeveer gelijk met ons op, in een voor hun leeftijd benijdenswaardige snelheid. Wel hebben ze skistokken om overeind te blijven.

Ergens op de helling komen we de fotograaf weer tegen. Hij is naar de top geweest en gaat snel weer naar beneden, want, zo zegt hij, "ik heb om vier uur een afspraak". Wij kijken op ons horloge en nemen onze pet c.q. hoed af. Voordat we tijd hebben onze hoofddeksels weer terug te leggen, is de fotograaf uit het zicht verdwenen.

De Duitse heeft ongeveer mijn tempo. Ze kijkt omhoog.
"I think it will rain."
Ik kijk omhoog. De zon schijnt.
"Zou je denken?"
"Gisteren waren we in de Vikos gorge. Toen hadden we ook regen."
"Hoe was dat, die Vikos gorge?"
"Mooi, maar lang niet zo mooi als dit. Dit landschap is veel ruiger."
En we praten nog wat verder over de toeristische potentie van de berg Smólikas. Dan zak ik langzaam terug tot de achterhoede. Zelfs het echtpaar op leeftijd snelt mij voorbij in hun verlangen de top te beklimmen. De top wordt door het puin op de helling aan het zicht onttrokken. Maar eindelijk is het zover: ik bereik het punt waarop we niet meer hoger kunnen klimmen, waar geen omhoog meer is, alleen omlaag. De ouderen lachen mij tegemoet met een welgemeend "bravo!"

Smólikas. Nog maar nul uurtjes lopen. We zijn er!

 

Thomás en Onno. 
Op de achtergrond het Drakenmeer.

 

Er staat een frisse wind. Men trekt pull-overs en jacks aan. Ik rits de pijpen aan mijn convertable trousers. Ineens kijkt iedereen naar mij.
"Wat is dat?" vraagt men verbaasd. Afritsbroeken zijn nog niet tot Griekenland doorgedrongen. Maar Thomas had hem al gezien en zegt ongeduldig, dat ik op de foto moet. Daar sta ik dan met één broekspijp. Nou ja, dan moet hij het ook zelf maar weten.

Het is 13:30, dat betekent dat we 6 uur gelopen hebben vanaf Paleosélli, inclusief pauzes en verdwaald zijn.

We horen een vaag gerommel in de verte. Het is aardig dichtgetrokken. We zien wolken waar regen uit valt. En opnieuw rommelt het. Dit weer maakt sommige aanwezigen nerveus. Alle mobiele telefoons uitzetten, is het advies. Het schijnt dat laatst iemand die mobiel aan het bellen was, door de bliksem is getroffen.

"Het lijkt mij onzin dat dat door die mobiele telefoon kwam," zeg ik. "Bovendien komt het gerommel niet met de wind mee, maar juist van de andere kant. Het onweer zou dus weg moeten waaien."

Broembroem, klinkt het ineens een stuk dichterbij.

Verbazend hoe snel je zo'n telefoon uit kunt zetten.

We zijn echt het allerhoogste punt in de omgeving, de één na hoogste berg van Griekenland, ongeveer zeven keer zo hoog als het Empire State Building dat iedere onweersbui tien keer getroffen wordt. We zijn het er over eens dat we hier snel weg moeten.

Thomás aan het afdalen.

 

Thomás wachtend op mij.

 

Thomás, eh, nou ja.

 

Dan begint een afdaling, die het uiterste vergt van mijn zwakke knie. Het begint zachtjes te druppelen, maar mijn hoed vangt het meeste op en de rest zorgt voor welkome afkoeling tijdens al deze sportiviteit. De afdaling vergt minder energie dan de klim, maar bij het drakenmeertje begint mijn knie te zeuren. En we moeten nog vier uur... Gelukkig is de motregen weer verdwenen, dus kunnen we weer pauzeren. De ouderen hebben net een frisse duik genomen. Dapper hoor, want dat water is echt ijskoud. En wie weet wat al die schapen er hebben achtergelaten.

Ergens voordat we de bomen bereiken, gaat er iets mis. We weten nog wel dat we bij de splitsing rechtsaf moeten, maar waar is ineens het pad gebleven? Het barst hier van de geitenpaadjes en één van die paadjes is het pad dat wij moeten hebben. Maar welke? De lucht begint ook weer te rommelen. Onze Athener wordt helemaal nerveus. Maar Thomás houdt het hoofd koel en zoekt ijverig tussen de bomen naar wegwijzers. Ik adviseer om verder naar rechts te kijken, want dat zegt mijn richtingsgevoel. En inderdaad, Thomás, die met reuzensprongen de rechterhelling op klimt, vindt een markering. Vanaf dat moment lopen Thomás en ik voorop. Wij vinden het pad met richtingsgevoel en goed uit ons doppen kijken. Gelukkig is het pad na twintig minuten weer een stuk duidelijker.

Het onweer barst nu echt los. Na iedere bliksemschicht krimpt de Duitse van schrik in elkaar, alsof ze daarmee hoopt een inslag te ontwijken. Ik voel mij beschut in het bos en begin te fluiten.
"Wees maar niet zo vrolijk," zwijgt een zwartgeblakerde boom. "Ook hier ben je niet veilig."

De berghut (katafíyo) ligt er verlaten bij. Kennelijk is men voor het onweer op de vlucht geslagen. Zelfs het vuur voor de barbecue heeft men niet uitgemaakt en smeult nog steeds na het onweer. Ik vul een fles met water uit de bron en blus daarmee het vuur.

Het onweert niet meer. Het is nog twee uur lopen naar Paleosélli, en daar hebben we nu niet zo'n zin meer in. Thomás belt naar het dorp om een lift te regelen. Na enkele telefoontjes meldt hij dat er misschien een auto naar de hut komt om ons op te pikken. We wachten daar niet op maar lopen langs het wandelpad naar beneden. Na een uurtje komen we op de weg, waar gevelde boomstammen op een stapel liggen. In een plas springen kikkers weg als we passeren. We nemen plaats op een boomstam.
"Kwaak kwaak," zeggen de kikkers.
"Vroem vroem," antwoordt een stoere terreinwagen. Waarachtig, het was geen loze belofte, men komt ons echt ophalen!

De auto neemt ons mee naar Paleosélli. Daar nemen we afscheid van de Athener en zijn Duitse vriendin.
"Hier heb je mijn adres," zegt de Duitse, "stuur wat foto's op."
"Heb je geen emailadres?"
"Emailadres? Wat is dat?"

Op het terras van tante Tassía zitten Maria, tante, moeder en enkele buren ons op te wachten. Nicht Maria en Sotíris en hun twee-druppels-baby zijn inmiddels weer vertrokken. Thomas en ik zijn behoorlijk trots en men bewondert ons om onze sportieve prestatie. Ik prijs Thomás om zijn scherpzinnige padvinderstalent. We krijgen een bord met krachtvoer voorgeschoteld.
"Avrio Gamíla," grap ik: morgen naar de berg Gamíla. Iedereen lacht hartelijk om zoveel bluf. Smólikas gaf zich gewonnen, maar heeft wel zijn tol geëist. Na het eten plof ik op het dichtstbijzijnde bed neer. Ik kan alleen nog maar liggen.

"Ik wil water," zeg ik. En voordat ik mijn zin af heb, staat Maria al in de keuken.

De volgende dag zijn we weer in Kónitsa. De donder rommelt.
"Weer een onweersbui?" vraagt Maria.
"Nee, dat is de computer. Ik check even de email."

Tien minuten later. Weer rommelt de donder.
"Check je nu alweer de email? We zijn op vakantie, hoor."
"Nee, het is een onweersbui."

Pa en ma in Griekenland

Een paar dagen later halen we mijn ouders, Lidy en Tjerk, af van vliegveld Ioánnina. Ze komen kennismaken met de ouders van Maria. We hebben hun bezoek netjes ingedeeld in zeven dagen.

Dag 1. Niet in het meertje zwemmen!

Fles uit Ioánnina.

In Ioánnina was een uitgebreide Joodse gemeenschap, totdat de Nazi's daar een eind aan maakten. Zoals op meer plaatsen in de wereld, zaten de Joden goed in het geld en hebben ze zich hier kunnen specialiseren in de zilversmeedkunst. Prachtige flessen bekleed met sierlijke zilverdraden, zilveren borden, je kijkt je ogen uit.

Langs de winkeltjes afdalend kom je terecht bij het meer van Ioánnina. Dat ziet er heel schattig uit van een afstand, maar stinkt behoorlijk als je dichterbij komt. Er is geen doorstroming van het water en vermoedelijk heeft alle kunstmest in de omgeving het watermilieu behoorlijk verziekt. Niettemin is een bezoekje aan het eiland in het meer zeer de moeite waard. Daar ligt een schattig dorpje, met typische kerkjes en een klooster waar tijdens de Turkse overheersing de Griekse cultuur werd onderwezen. Je vindt er ook het kloostertje waar Alí Pasjá, de ongelooflijk wrede Turkse heerser van Ioánnina in de achttiende eeuw, belegerd werd en door een kanonschot door het dak aan zijn einde kwam. Lees voor de grap maar eens iets over Alí Pasjá, want u staat met uw oren te klapperen. Zo was er een Griekse vrouw uit zijn hofhouding, die door Alí Pasjá met een steen aan de voeten in het meer werd geworpen. Als je dat hoort dan wil je al helemáál niet in het meer zwemmen.

Dag 2. Niet met bijlen zwaaien!

We hebben genoeg van het hotel waar mijn ouders verblijven. Maria wist zeker dat ze een voorwerp was kwijtgeraakt in het hotel en de manager geeft het pas na enig aandringen mopperend terug. En dit is niet het eerste hotel in Ioánnina waar we ontevreden over zijn. Diverse hotels hebben we gepolst, en steeds viel ons het botte antwoord op. Eén hotel speelde het klaar om twee verschillende prijzen te noemen: toen bleek dat het om niet-Griekse gasten ging werd ineens de prijs een stuk hoger. Waarom zijn al die hotelhouders in Ioánnina zo bot, onvriendelijk en oneerlijk? En we zijn niet de eersten die slechte ervaringen hebben. Gaat u naar deze omgeving, logeer dan niet in de stad maar zoek een mooi dorpje uit in de omgeving, Monodéndri of Pápingo of zo.

Maria belt naar haar ouders of we een dagje eerder dan gepland naar Kónitsa kunnen komen.
"Ja, dat is prima," zegt moeder, "maar vader is er nu niet. Hij is naar een begrafenis in Paleosélli."
Het blijkt dat de man met de twee geiten, die wij weken eerder ontmoet hadden, die Duits sprak, die ons vroeg waarom wij niet naderbij waren gekomen om naar de top van Smólikas te kijken, dat die man door de bliksem getroffen is. Een paar dagen nadat wij in een onweersbui gewandeld hadden. Auw.

Onweer in Ioánnina.

 

 

Die middag gaan we op weg naar het busstation. Onze timing laat echter te wensen over: net als we op de stoep staan, barst een enorme onweersbui los, waarbij het pijpenstelen regent (zie foto). Gelukkig hebben de huizen in Ioánnina veel balkonnetjes waaronder we kunnen schuilen. Maar dat schiet niet op, en over een kwartier gaat de bus, en de kaartjes zijn niet geldig voor de volgende bus. Rennend van afdak naar afdak komen we steeds een stukje verder. Half nat halen we de bus.

Even buiten Ioánnina ligt de fabriek van Dodóni, waar de wereldberoemde fčta (witte geitenkaas) gemaakt wordt, die ook bij Albert Heijn in de schappen ligt. De bus stoomt verder richting Kónitsa. Halverwege passeren we een andere bus die in de regen geslipt is en in zeer slechte staat ondersteboven op de weg ligt. "Die bus zat vol met Albanezen," wist men te vertellen.

De ontmoeting tussen alle ouders is hartelijk. Maria heeft het erg druk, want zij moet vertalen. Haar ouders spreken samen ongeveer één woord Engels. Geschenken worden uitgewisseld, geen spiegeltjes en kralen, maar bloembollen, Goudse kaas, appelstroop, stroopwafels, glas-in-lood-sierhangertjes en posters en kalenders "groeten uit Amsterdam".

Maar mij interesseert maar één ding: hoe die man door de bliksem getroffen heeft kunnen worden. Vader, terug van de begrafenis, vertelt. De man was zijn geiten aan het uitlaten, niet ver buiten het dorp. Hij had een bijl bij zich, en men vermoedt dat de scherpe punt van deze bijl de bliksem heeft aangetrokken. En vader trekt zijn hand langs zijn lichaam, om aan te geven waar de brandwonden liepen.

Beste lezer, ik heb al diverse keren geklaagd dat mij nooit wat overkomt. Ik bevoer de Griekse wateren op de dag dat een andere veerboot van dezelfde rederij zonk omdat de bemanning voetbal keek. Het centrum van de zware aardbeving van 1999 in Athene lag op een plek waar ik vijf dagen eerder nét niet was geweest. Ik heb twee schorpioenen doodgemept maar word slechts door saaie muggen gestoken. Ik bedwong de berg Smólikas die vier dagen later een ander een miljard volt door de billen boort. De twin towers storten ineen en ik zit me op een kantoortje in Amsterdam zuidoost te vervelen. Mij overkomt nooit wat. Wat is het toch heerlijk om daarover te kunnen klagen.

Ik zeg wel eens gekscherend dat ik erg graag eens een echte aardbeving zou willen meemaken. "Neenee, alsjeblieft niet!" zeggen verschrikte Grieken dan. Griekse aardbevingen willen zij niet meemaken. Dat geeft een hoop troep in huis, als dat huis al overeind blijft staan. Maar Nederlandse aardbevingen stellen niet veel voor. Mijn eerste aardbeving heb ik in Amsterdam zachtjes gevoeld, maar ik dacht in mijn slaap dat een klopgeest aan mijn bed aan het schudden was. Pas de volgende dag hoorde ik wat het was geweest: de beroemde aardbeving van 1992 in Zuid-Limburg. Afgelopen winter, toen Maria en ik in Keulen overnachtten, hadden we allebei gedroomd over een aardbeving. Zij, dat een wasmachine op hol was geslagen en het gebouw deed schudden. Ik, dat we in een kerkje in Griekenland waren waar alles begon te schudden, waarop iedereen rustig naar buiten liep. Wakker geworden zetten we de radio aan en wat blijkt: bij Aken was een aardbevinkje geweest.

Het schijnt dat ik ook wakker eens een aardbeving heb meegemaakt. Ik was bij Maria die destijds in Athene woonde.
"Hoor je dat?" zegt Maria.
"Nee," zeg ik.
"De schuifdeur trilde. Dat was een lichte aardbeving." I'm not impressed. Wanneer word ik van mijn sokken geschud?

Het uitzicht vanuit de logeerkamer: het Tímfi-gebergte. Op de voorgrond het kerkje van santa Barbara.

 

Dag 3. Geen vreemde insecten aaien!

Het ontbijt genoten wij in de tuin van huize Karaféri, onder de druiven en klimmende winde, met zicht op het Timfi-gebergte en op het kerkje van Santa Barbara. Mijn moeder Lidy zit vrolijk te babbelen, maar de helft gaat meteen mijn andere oor uit omdat mijn brein nog slaapt.
"Goh, d'r zat toch zo'n raar insect op mijn koffer, met twee scharen, een heleboel poten en een krullende staart. Ik heb hem van mijn koffer af geveegd."

Ik ben meteen klaarwakker en kijk Lidy met open mond en open ogen aan.
"Wat zeg je? Heb je hem met je blote hand aangeraakt? Kun je dat beest eens tekenen?"
Lidy is een geoefend tekenaarster. Ze tekent een schorpioen.
"Mam, volgende keer dat je een schorpioen ziet, doe jezelf een groot plezier, raak hem niet aan, maar trap hem dood."
"Was dat nu een schorpioen? Goh. Raar hoor. Hij was een beetje groenig."
Mijn gezicht is ook een beetje groenig. Maar Lidy neemt rustig nog een slokje Griekse koffie.

We gaan met zijn vieren op zoek, maar in de slaapkamer is geen schorpioen meer te vinden. Het beest is zich waarschijnlijk doodgeschrokken. Voor alle zekerheid spuiten we nog maar wat gif in de kamer.

Maria in de tuin van Santa Barbara.

 

 

Daarna wandelen we in de koelte van de ochtend naar het kerkje van Santa Barbara toe. Daar doen wij volgens Maria tien minuten over. Dat betekent in de praktijk een half uur. Hoe dat komt weet ik niet, maar in Griekenland onderschat Maria alle afstanden, terwijl in Nederland ik degene ben die alle afstanden onderschat.

Onderweg liggen er vele interessante stenen die gewoonweg bedelen, nee sméken om omgeraapt te worden, en vriendelijk als ik ben geef ik daar onmiddellijk gehoor aan. Ook mijn moeder blijkt deze stenen erg sympathiek te vinden en bekijkt ze van alle kanten. Er zit geen fossiel bij maar we geven de hoop niet op. Maria en Tjerk begrijpen ons niet en zijn daarom als eerste bij het kerkje en hebben naar orthodox gebruik al een kaarsje aangestoken als Lidy en ik eindelijk arriveren. 

Dan is het tijd om de bel te luiden. Het kerkje torent boven Kónitsa uit en iedere wandelaar trekt even aan de bel om het thuisfront te laten weten dat het reisdoel bereikt is.

De Aoós-kloof vanaf de resten van het Venetiaans kasteel gezien. Rechtsboven: Gamíla.

 
Onno inspecteert de houtvoorraad van Kónitsa.

 
Het centrum van Kónitsa. Let op de groenteman op de trap.

Ons doel ligt verder dan het kerkje. Nog een half uur verder (tien minuten volgens Maria) ligt het Venetiaans kasteel. Nou ja, wat er van over is dan. Dat is niet veel, slechts een paar steenklompen waar je met wat fantasie resten van muren in kunt herkennen. Het is echter heel goed te begrijpen waarom die Venetiërs hier een kasteel wilden hebben. De plek ligt op een úitstekende rotspunt, die een vesting vrijwel onneembaar gemaakt moet hebben. Vanaf de rots heb je een spectaculair uitzicht over Kónitsa, de vallei waar Aoós en Voidomátis samenvloeien, de ingang van de Aoós-kloof, en in de verte de bergen van Albanië.

Of het nu door de Venetiërs komt weet ik niet, maar in de streek wordt nog steeds een dialect gesproken dat op Italiaans lijkt. Sla de atlas er maar op na.

Op de terugweg wandelen we naar het centrum van Kónitsa. Daar kopen mijn ouders wat ansichtkaarten. Dan begint het te onweren. Alweer onweer? Gisteren ook al, en vorige week, en wie zei ook alweer dat het in Griekenland altijd mooi weer is? We lopen snel naar huize Karaféri, twee minuten volgens Maria, maar de onweersbui is sneller en al na honderd meter zijn we drijfnat. Hier zijn geen afdakjes zoals in Ioánnina. Vlak boven ons flitst het en knettert de donder, met volgens Maria zes seconden daartussen, anderhalf volgens mij. Het onweer op Smólikas was er niets bij. Palen dragen elektriciteitsleidingen hoog boven het Kónitsa uit alsof ze willen roepen: "Hier inslaan alstublieft!"

In huize Karaféri trekt iedereen droge kleren aan en dan is het lunchen geblazen. Terwijl het gerommel wegtrekt, genieten wij van met rijst gevulde tomaten en paprika's, een typisch Grieks gerecht. Het klinkt niet interessant, maar dat is het wel. Het is verrukkelijk.

De processie van sint Kósmas

Het Mariakerkje. Er passen maar 15 mensen tegelijk in, dus staan de andere 285 kerkgangers in de rij te wachten.
Dit was overigens niet waar de processie van sint Kosmas plaatsvond.

 

 

's Avonds gaan we naar de kerk, want men viert de naamdag van sint Kósmas, een goeie vent die lang geleden de zelfgenoegzame inwoners van Kónitsa bij de lurven greep en hamerde op goed onderwijs toen dat nog helemaal niet vanzelfsprekend was. Hij is zo'n beetje de stamheilige van het dorp dus moet zijn naamdag flink gevierd worden. We kijken onze ogen uit: op het kerkplein staan behalve een heleboel inwoners ook de plaatselijke fanfare, zo'n twintig militairen, de burgemeester en genoeg priesters om alle aanwezigen de biecht af te nemen. De soldaten vormen een erehaag. Na een kwartier volgens Maria, want haast heeft men niet, beginnen de klokken te luiden en komen de priesters uit de kerk met een icoon. Iedereen sluit zich daarbij aan en een lange stoet loopt de straat omhoog naar het dorpsplein in het centrum. Daar houdt de hoofdpriester een toespraak. Zijn stem wordt versterkt door een geluidsinstallatie waar Pink Floyd jaloers op zou zijn. De kerk heeft hier zelfs zijn eigen lokale radiozender, dus de mensen die niet konden komen kunnen thuis toch meeluisteren naar de toespraak. Ik denk dat men daar geen radio voor nodig heeft, want met deze installatie kan men zelfs tot in Albanië meeluisteren. Alle medewerkers worden hartelijk bedankt voor hun medewerking, alle aanwezigen voor hun aanwezigheid, de lokale middenstand, de militairen, de vrijwilligers, de fanfare, de gemeente. De goede man doet zijn best om iedere genoemde zo veel mogelijk in het zonnetje te zetten. We zijn blij dat we in de drukte nog een bankje vonden om op te zitten.

Eindelijk is de goede man klaar. Wij staan op om de stoet weer terug te volgen naar de kerk. Maar een andere priester fluistert de spreker wat in het oor, waarna hij zich terug haast naar de microfoon, en dan uitvoerig de politie bedankt, met excuses dat hij zo dom kon zijn om die te vergeten.

Dag 4. Geen fossiel te vinden.

Lidy en Tjerk in de Aoós-kloof.

 

Tjerk, 74 jaar jong, hupt van een rots af, bij de rivier de Aoós.

Lidy, Tjerk en ik wandelen naar de kloof van de rivier de Aoós. Om die te bereiken moeten we eerst de rivier oversteken. We kiezen daarvoor de antieke boogbrug even buiten Kónitsa, een brug die de grootste in zijn soort is in heel Griekenland. Lidy en Tjerk vergapen zich aan enkele geiten die op hellingen van 90% zonder zichtbare moeite rondjes draaien. Zulke sterke staaltjes had ik ook al in de Samariá-kloof gezien.

Ook de Aoós-kloof had ik al eerder gezien, maar maakt altijd weer indruk. Het landschap is hier van grote klasse. Er liggen ook hier heel veel stenen die erom sméken betast en bekeken te worden. Ik neem mij voor om een boek met de titel "Geologie" te lenen bij de Prinsengrachtbieb. Wat zeg ik, een boek? Alle boeken! Een deun dringt zich op in mijn hoofd, met de volgende tekst, te zingen met baldadig zeurende stem:

Apolithómata!
Apolithómata!
Apolithómata!
Apolithómata!
Apolithómata!
Apolithómata!
Apolithómata!
Apolithómata!

Maar geen fossiel te vinden. Wel zie ik ineens iets blinken langs het pad. Het lijkt een stukje glas te zijn. Ook dit smeekt gewoon om nadere kennismaking. Het valt me op dat de vorm wel erg mooi zeshoekig is. Dat kan volgens mij geen toeval zijn. Dit moet een kwartskristal zijn! Ik spring juichend in de lucht. Eindelijk iets bijzonders gevonden! Eindelijk een souvenir dat ik thuis trots op de plank kan leggen! Eindelijk beloont de natuur mij met afgietsel van perfectie!

Langzamerhand trekken er steeds meer wolken bijeen. Gek genoeg wil geen van die wolken voor de zon gaan hangen. Erg vervelend, want die brandt met grote warmte op ons bol. Vooral de klim van de rivier naar huize Karaféri is afzien. Voor mijn vader geen punt, want die heeft al driehonderd keer de vierdaagse van Nijmegen gedaan. Maar mijn moeder betoont zich dapper en verricht een grootse prestatie.

Dit keer zijn we voor het onweer thuis. Vanuit de slaapkamer van Thomás kijk ik over het Aoós-dal, waar diverse bliksemschichten in hun geheel van wolk tot rivierbedding te bewonderen zijn. Vreemd genoeg lijkt de bliksem de rivierbedding te verkiezen boven de bergtoppen. Dat zal wel komen doordat water geleidt en steen nauwelijks. Of anders was er zeker een visser mobiel aan het bellen. Het onweer blijft op afstand, op zo'n kilometer of drie volgens Maria maar volgens mij was het vijf tot acht; maar het biedt een indrukwekkend spektakel.

De vallei van de Aoós. De onweersbui van gisteren verdampt in het ochtendschemer.

 

 

Dag 5. Alweer Ioannina?

's Ochtends vroeg gaan Maria en ik en al onze vier ouders gaan naar Ioánnina, om de burcht te bekijken. In het museum ligt een grote wapenverzameling. De oude moskee van Alí Pasjá is onderdeel van het museum. Interessant zijn daar de oude traditionele kledingstukken: werkelijk prachtige stukjes sierlijke mode uit het verleden. Jammer dat die niet meer gedragen worden. Nou ja, ze zijn ook wel héél erg versleten.

Buiten de burcht ligt een dependance van het wassenbeeldenmuseum. Deze kleine afdeling in de stad is gratis te bezichtigen, waarschijnlijk als lokkertje voor het grote wassenbeeldenmuseum dat buiten de stad ligt. Vele taferelen uit de Griekse geschiedenis hebben hier vorm gekregen.

's Middags alweer onweer. We zijn het al gewend en hebben gezorgd dat we veilig in het huis van Tásos zitten.

Dag 6. Athene

Op naar Athene. Dat is zeven uur met de bus. Landschappen, landschappen en nog eens landschappen! Koopt u de Griekenlandkaart van de ANWB, daarop staan in groen precies de mooie wegen aangegeven, en dat klopt vrij aardig met de werkelijkheid. Hee, zag ik daar niet een fossiel liggen? Of was het een kristal? En wat een mooie aardlagen, waar de weg uit de rotsen is gehakt. Je zou zo'n bocht gewoon mee naar huis willen nemen, zo interessant!

Halverwege stappen we uit de bus op de veerboot in Andírio. Bij de veerboten staan verkopers klaar met hun karren vol bagels, gegrilde maďskolf, nootjes en andere lekkernijen. De veerboot steekt de golf van Kórinthos over naar Río. Dit is hét moment om naar het toilet te gaan. Bij het verlaten van het toilet bots ik tegen een accordeon op. Sichnómi, pardon! De eigenaar wankelt verder, het hele dek over, om geld in te zamelen. Het instrument klinkt behoorlijk vals, dus hier is hard een financiele injectie nodig. Daarom loopt de man zo snel mogelijk het hele schip over, om zoveel mogelijk geld in te zamelen. Jammer, als hij nou even stil bleef staan zodat ik een heel liedje kon horen, dan zou ik hem best wat willen geven.

In Río, aan de overkant, rolt de bus van de boot af, iedereen stapt in en verder gaat het, langs de noordkust van Pellopónisos. Links ziet u de golf van Kórinthos met daarachter het vasteland. Rechts ziet u bergen. Dat spoorlijntje daar gaat naar Kalavríta, een erg mooi bergspoortje, waar de VPRO-gids eens zes pagina's over heeft volgeschreven. En ach, wat jammer nou dat we in slaap gevallen zijn, want nu hebben we het beroemde kanaal van Kórinthos gemist. Tja, dat is opletten hoor, want in drie seconden ben je er overheen. Eén seconde volgens Maria. Een Griek achter het stuur.

In Athene doen wij een prettige ontdekking: hotel Metropolis. Vlak bij Pláka, de leukste wijk van Athene, vlak bij de beroemde Akrópolis, en voor een prijs die de vrekkige hotelhouders in Ioánnina volkomen gestoord zouden vinden.

Dag 7. Akrópolis & Pláka

We zetten Lidy en Tjerk af bij de Akrópolis. Maria en ik hebben die al eerder gezien, dus wij gaan niet mee naar binnen. De Akrópolis is een 3000 jaar oude vestingstad op een rots in het midden van Athene. Het is er bloedheet want de openingstijden zijn zo gekozen dat er altijd zon op je bol brandt. Je struikelt steeds over oude stenen of mensenmassa's. Je wordt weggestuurd door mensen die hun familie willen fotograferen. Als je onder de pilaren wilt gaan staan omdat dat nu juist het interessantste, rustigste en koelste is, word je tegengehouden door touwen en uniformen.

Mijn ouders zijn helemaal wég van Akrópolis en brengen er twee uur door.

In Pláka, de oude wijk aan de voet van de Akrópolis, staat restaurant Scholarchio. Ze hebben daar een geweldig systeem ontworpen om iedereen zo snel mogelijk aan een maaltijd te helpen. Ze komen met twee enorme dienbladen - waarvan het manoeuvreren ongeveer net zo moeilijk moet zijn als een mammoettanker - die vol staan met schaaltjes kant en klare gerechten. Zo zijn daar: worstjes die ter plekke in brand gestoken worden (tip: probeer ze niet te blussen met ouzo), met rijst gevulde bladeren, gebraden kaas, feta, salade, gebakken inktvisringen en nog veel meer lekkers. Je neemt wat je wilt eten en je begint meteen te eten. Een ongelooflijk simpel en handig systeem. Dat niet iedereen daar op gekomen is! Je gasten hoeven niet te wachten, staan dus eerder weer op straat, dus je maakt nog meer omzet ook! En denk niet dat het fast food is. Het is lekker en niet duur.

We eten er twee avonden achtereen met zijn vieren, en met Élli, de zus van Maria die ook met die "Greek driver" meereed, weet u nog?

Busstation A in Athene.
Het weekje zit erop voor mijn ouders. We zetten ze op de bus naar het vliegveld en gaan dan zelf met taxi en bus en boot via Áyos Konstandínos naar Skiáthos. Áyos Konstandínos is een plaatsje waarvan je denkt "goh wat leuk" als je er aankomt. Na twintig minuten heb je het hele plaatsje gezien en wil je er zo snel mogelijk weg. Als de boot eindelijk komt leggen we onze matjes neer tussen de stoelen en halen we achterstallige slaap in.

Skiáthos

Skiáthos. Vinden katten zonsondergangen mooi?
Zoals Korfoe een Nederlandse kolonie is, zo Engels is Skiáthos. Muziek van David Bowie, Simple Minds, The Cure, George Michael en andere Britten galmt je tegemoet vanuit hotels en bars. Dit is de eerste tourist trap in Griekenland, waar mensen rondlopen met een blekere huid dan de mijne, tot grote vreugde van Maria. Ik sputter dat dat niet alleen komt door de beroemde Britse bleekheid, maar ook doordat ik inmiddels eindelijk wat kleur heb verzameld.
"Of course, my dear..." lacht Maria.
Schattig pleintje in Skiáthos. 
Ik hoef u, doorgewinterde internetter, natuurlijk niet te vertellen dat u hierop kunt klikken voor een vergroting. Het kan echter wel een minuutje duren voordat de vergroting gedownload is.

Skiáthos kent, net als Korfoe, alle genoegens van een tourist trap. Maar één probleem mag niet onvermeld blijven. Het probleem van de plattegronden. Er zijn vele plattegronden van Skiáthos te koop. Ze deugen allemaal voor geen meter, zelfs niet de - op het eerste gezicht - zeer gedetailleerde kaart van Anavasi. Doorgaande wegen blijken dood te lopen, wegen die volgens de kaart doodlopen gaan toch verder, de nummering van de bushaltes klopt niet meer, kortom, er deugt niets van. We zijn nooit in Griekenland zo verdwaald als op Skiáthos. Zelfs Smólikas is een overzichtelijk achtertuintje vergeleken met de chaos hier. Gelukkig is Skiáthos zo klein dat het nooit erg is als je verdwaalt.

We parkeren onze tent op Koukounariés Beach, een dure camping nabij, jawel, het Koukounariés-strand. We hebben daar stoelen en een tafel ter beschikking. Wat een ongekende luxe!

Koukounariés is het eerste strandje dat we uitproberen. Dit is het mooiste strand van de Middellandse zee, zegt men, maar dat zegt men ook van alle andere honderdtwintigduizend strandjes van Griekenland. Toch heeft dit strand wel iets. Achter het strand staan bomen (koukounariés is een soort naaldboom) en daarachter ligt een meertje, dat in open verbinding met de zee staat. Men koestert dit natuurgebied en daarom heeft men er een indrukwekkend ijzeren gordijn omheen gezet om de mensen buiten te houden. Vervolgens heeft men bedacht dat iedereen toch zou moeten kunnen genieten van deze biotoop en heeft men de poorten van het hekwerk weer opengezet. Het landschap met die naaldbomen en dat zandstrand doet erg aan het Nederlandse duingebied denken. Het strand is van een fijn zand, dat glinstert in het zonlicht. Waarom het glinstert wordt duidelijk als ik elders op het eiland enkele stukjes mica in de grond vind. [U raadt het al, ik was op zoek naar apolithómata.] Mica is een mineraal dat in plaatjes op elkaar is gestapeld. Die plaatjes zijn mooi glad en daarom weerkaatsen ze het zonlicht. 

Ik neem zo'n stukje mica mee, maar het is erg kwetsbaar: ernaar kijken is al genoeg om het uit elkaar te doen vallen. Dat wordt niks als dat de rugzak in moet, en al helemaal niks als die rugzak straks het vliegtuig in moet. Zelfs niet als de piloot geen Griek is.

In de stad veert Maria helemaal op. Er is een concert! Hoera! Maria dacht altijd dat buiten Athene geen cultuur te vinden was. Maar Skiáthos lijkt een uitzondering. Brassbands gaan vanavond optreden in het cultureel centrum. Wij zullen er zijn.

Ook van dichtkunst houden ze hier, of beter gezegd: ze zijn apetrots op Papadhiamántis, die hier woonde en de zegeningen van het Griekse bestaan tot onderwerp van zijn lofzangen gemaakt heeft. Een Grieks trage-rivieren-door-oneindig-laagland-gevoel, zeg maar. Zijn tot museum gebombardeerd huis ligt aan een muisstil pleintje vlak naast de drukste winkelstraat.

Wij halen heerlijke pita's giros uit de winkelstraat. Tip: hoe rustiger het personeel, hoe meer aandacht ze besteden aan je eten en dat proef je. De broodjes vlees, ui, knoflooksaus, tomaat en twee frietjes namen we mee naar het pleintje van Papadhiamantis. Voordat we daar zijn marcheert er een brassband door de winkelstraat. Hoempapa, daar houden we niet zo van, maar 't is wel goed gespeeld, dus laten we toch maar gaan.

Het openluchttheater van het cultureel centrum stroomt vol. Een man komt op het podium. Applaus. Hij vertelt (in het Grieks) een heel verhaal over de geschiedenis van de brassband van Skiáthos. Alle muziekdocenten worden in het zonnetje gezet. Net als ik in slaap begin te sukkelen sluit hij af en loopt hij weg. Applaus. Ik veer op maar zak meteen weer in, want een vrouw neemt zijn plaats in en houdt een heel verhaal, Maria vertaalt, het programma is veranderd, er valt een band uit en de laatste band gaat nu als eerste spelen. Dat is de band van Skiáthos zelf, die ongetwijfeld een verdienstelijke thuiswedstrijd zal spelen. Ik ga er eens goed voor zitten maar ga dan meteen weer scheef zitten, want na de vrouw komt een derde persoon een toespraak houden. Net als ik van het programmapapiertje een draagvleugelboot gevouwen heb, is nummer drie klaar. Nummer twee komt weer naar voren.
"Hoe lang gaat dit nog duren?" vraag ik Maria.
"Ze is al klaar, kijk maar!"
De band komt op. Er wordt flauwtjes geapplaudisseerd. De band komt nog steeds op. Het applaus sterft weg. Het is weer stil. De band komt nog steeds op. Na een paar minuten staat het hele podium vol.

Ze beginnen te spelen. Ik kijk naar Maria en ik zie aan haar gezicht dat haar tenen net zo krom staan als die van mij. 
"Wij hebben een bard die ongeveer net zo zingt," zou Asterix zeggen. 
Alles is vals en zonder enige pit. Eén trompet speelt zo vals dat je hem bijna kan aanwijzen. Het lijkt wel of die trompettist in een andere toonsoort speelt. Vermoedelijk heeft hij zijn partituur ondersteboven staan. Na twee songs houden we het echt niet langer vol en haasten we ons het theater uit.

We lopen wat trappetjes op en komen uit bij de klokkentoren, die een groots uitzicht biedt over het maanverlichte stadje, de haven, de berg Katavóthra, wacht eens, 388 meter, dat is 10% van Smólikas, heuveltje dus. En een openluchtbioscoop. Met enige concentratie kun je zelfs van hier af de film volgen. En als je keurig stil zit te kijken naar de film help je meteen een boel hongerige muggen aan een maaltijd.

De volgende ochtend wandelen we van Koukounariés naar de noordkust van het eiland. Door de beruchte kaarten lopen we diverse keren verkeerd, totdat we de kaart wegstoppen en de weg vragen. Als we dan eindelijk het strand bereiken, worden we er meteen weer weggeblazen, want er staat een strakke noordenwind. Zand schuurt tegen onze benen. Golven beuken op de rotsen. Wel spectaculair, maar bepaald niet om ontspannen te liggen. In de verte ligt de berg Pílion op het vasteland. Op de terugweg lopen we over kliffen die met hei zijn bedekt. Het lijkt hier wel een soort Veluwe aan de kust. Als ik niet beter wist zou ik denken dat ik ergens aan de Engelse zuidkust was. Misschien is dat wel waarom die Britten zich hier thuis voelen.

De volgende dag nemen we de minibus naar het klooster Moní Evangelistrías. Dat is het enige klooster op Skiáthos dat te bezichtigen is.

Geen kip te bekennen.

Van daaraf wandelen we over de heuvels naar de noordkant van het eiland. Dankzij de beruchte kaarten lopen we weer hopeloos verkeerd, wat ons een hoop tijd kost. Onderweg is geen kip te bekennen, iedereen ligt aan het strand, behalve een Brits paartje in een jeep die ons een lift geven. We praten wat bij over de BBC. Dan stappen wij weer uit en nemen, jawel, het verkeerde pad. Als we terug lopen zien we dat het goede pad slechts wordt aangegeven doordat in de afrastering langs de weg een meter prikkeldraad is weggelaten.

We dalen af en verdwalen nog een paar keer. Langzaam wordt de weg steeds eenvoudiger. Je loopt van kerkje naar kerkje. Woningen zijn hier niet te bekennen. Er zijn op dit eiland zo veel kerkjes dat je iedere dag van het jaar naar een andere kerk kunt gaan.

En daar is Kastro, een ruďne van een fort, spectaculair liggend op een rots van 60 meter hoogte in zee. De rots is verbonden met de kust waardoor je te voet de ruďne in kan lopen. Wacht, ik trek even een blik met foto's open, dan krijgt u een goede indruk. Foto's aan elkaar geflanst met een testversie van PhotoVista.

Skiáthos, Kastro, kijkend naar het noorden. Ziet u Maria staan?

  

Skiáthos, Kastro, kijkend naar het zuiden.

 

Maria en ik haden ons schromelijk vergist in de lengte van de wandeling van klooster naar Kastro. Het was al vijf uur 's middags en dezelfde wandeling terug zou ons pas diep in de nacht in bed brengen.

We gingen naar het naastliggende strandje, rechts op het eerste panorama, links op het tweede. Daar troffen wij een joviale strandtenthouder, die mij een erg deed denken aan die presentator van MTV van jaren geleden, Ray Cokes heette die. De strandtenthouder, ik zal hem maar voor het gemak Ray blijven noemen, bood ons een lift aan. Maar we zouden wel even moeten wachten. Geen probleem, wij gaan wel even zwemmen! Er kwamen net voor mediterraanse begrippen enorme golven aan, van anderhalve meter hoog, da's erg leuk om mee te spelen. Je zwemt een beetje de zee in, je wacht op een golf, je springt met de golf mee en je komt ondersteboven op het strand terecht met kiezels in je zwembroek.

Toen we uitgespeeld waren moesten we nog even wachten op Ray. We namen een drankje op zijn paviljoen, en tegen de tijd dat dat op was, was de zon weggezakt en begon het zowaar fris te worden. Ray zei ons, dat we vast naar boven konden lopen om bij zijn auto te wachten, een groene Toyota. We vonden de Toyota in goede doch verbazend wankele staat geparkeerd op een rotspunt. Op diverse strategische delen van de Toyota was "4WD" te lezen.
"Wat zou dat betekenen?" vroeg ik.
"Geen idee," zei Maria.

Na een kwartier kwam Ray, tot mijn verrassing zittend op een paard.
"Could you close your mouth please," zei Ray, "you make Bonny nervous."

Maria en ik klommen achterop de wagen. Bonny werd vastgebonden aan de laadklep. Ray reed weg in een tempo dat net bij te houden was voor Bonny. Na een minuut stopte Ray en liet Bonny achter bij een berg stro.

Ray reed verder de berg op. Het was een helling van volgens mij wel 390%, maar Ray gaf een indrukwekkende presentatie van de kracht van de Toyota. Wij voelden ons als pannekoeken die in een koekenpan de lucht in geslingerd worden en ondersteboven weer opgevangen. Ik had ineens een reservewiel om mijn nek en Maria had ineens haar T-shirt binnenstebuiten aan en vlechtjes in haar haar.

Ineens begreep ik wat 4WD betekent: four wheel drive.

De Toyota spurtte naar de top in vijf minuten, waar wij te voet vier uur over hadden gedaan. Kuilen, hobbels, zand, stof, grind, rotsen, het maakte Ray allemaal niets uit: hij ging er dwars doorheen. Hij stopte maar voor één ding: andere lifters.

"How do you dooooooooooooooo!" zei een van de lifters, want Ray gaf weer gas.

De weinige andere auto's gingen eerbiedig aan de kant. De opkomende volle maan keek afkeurend naar Ray's rijstijl.

In Skiathos town keken toeristen verbaasd op naar die grote stofwolk die van de berg af rolde. Maar de bewoners keken niet op of om: O, Ray is weer terug.

Skópelos

Maria in Skópelos town.

   

Maria nog steeds in Skópelos town.

 

Onno op het uiteinde van Skópelos.

  

 

Skópelos is het volgende eiland in het rijtje. Het is een soort Skiathos maar wat groter en minder afwisselend. Ook mist het de onmiskenbare charme van Skiathos town.

Na een mooie busrit over het eiland kwamen we terecht op de westelijke uithoek, Loutráki, te vroeg voor de boot terug naar Skiathos. De brandende zon deed verlangen naar schaduw, maar helaas, hier was nergens schaduw te bekennen. We liepen weg van de haven, op zoek naar een verkoelend strandje. Weldra zakten wij neer op een kiezelstrandje op het uiteinde van het eiland. Ook hier geen schaduw te bekennen. Wel te bekennen was een volkomen verlaten club/disco/bar. Grote reclameborden deelden ons mede dat dit de gezelligste plek van het eiland was, maar we waren niet echt overtuigd. "The middle of nowhere" zou een juistere beschrijving zijn, maar dat is natuurlijk niet zo commercieel. Kom gezellig bij ons feesten in de middle of nowhere. Nee dank u.

Ook waren er borden die waarschuwden dat hier elektriciteitskabels lagen. Kennelijk was dit de navelstreng die Skopelos van stroom voorzag. Hee, dat verklaart waarom mijn zwembroek ineens licht geeft.

Voorbij het strandje rees een grote rotspartij op uit het zeewater. Het pad hield hier heel erg op. Ik probeerde nog een stukje over de rotsen verder te klauteren maar gaf het snel op. Net toen ik weer terug was op het strandje kwam er een oude man aangelopen vanuit dezelfde richting die ik als onbegaanbaar had bestempeld. Achteloos, alsof het een stoep betrof, liep deze man over de rotsen naar ons strandje, met een plastic tas in zijn hand.

Vólos

Volos. In de charmante oude industriewijk (bij het busstation) wil je nog wel eens een paard en wagen tegenkomen.
Volos is een moderne handelsstad, met een universiteit, een haven, een spoorwegstation (zeldzaam in Griekenland), veel winkels en veel verkeer. Dat verkeer raast gelukkig niet vlak langs het water, zoals in Athene. Het raast één of twee blokken achter de boulevard. Deze verkeersader is een hele uitdaging voor voetgangers. Gemiddeld duurt het een half uur voordat er een gelegenheid is om over te steken. Vandaar dat iedereen in Volos een auto heeft: dat is de beste methode om de straat over te steken.

Wij gingen zitten in het park, langs de boulevard. Er waren vrij hoge golven, die af en toe over de kade heen gutsten. Ineens lag er een kwal midden op de boulevard, temidden van de fietsers. Ik zag het al voor me:
"Wat is er met jou gebeurd?"
"Ik ben met de fiets uitgegleden over een kwal."
"Ik zei het toch, neem toch gewoon de auto, als een normale Griek!"
Gelukkig reden de fietsers met ruime boog om de kwal heen. De doodsstrijd van de kwal werd gerekt door vers water dat af en toe over de rand spoelde.

Ten zuidoosten van Volos gingen wij op zoek naar een camping. Bij Kato Gatzéa barstte het van de bordjes met "camping". Wij stapten uit en toen de bus vertrok stonden wij daar in de hete wildernis. Welke camping te nemen?

Twee dametjes kwamen op ons af. Ze stamelden enkele woordjes, maar we begrepen niet echt wat de bedoeling was. Ineens viel bij mij het kwartje (dat kon toen nog, de euro was er nog niet).
"Vous etes Français?" vroeg ik.
Jawel, de dames waren Français. In het Français begonnen ze uit te leggen dat een paar honderd meter verder een erg leuke camping was met de naam Sikia, en dat die mooi was, rustig, niet duur, kortom, dat we daar maar heen moesten gaan. De dametjes spraken hun Français zo helder dat zelfs ik het kon verstaan; een wonder, want meestal versta ik er geen woord van.

Camping Sikia beviel ons goed. Vergeleken met koukounariés erg goedkoop, toch degelijk, veel schaduw, lekker strandje, winkeltje, aardige mensen.

Ooit heeft er een stoomspoorlijntje gelopen van Volos naar Míliës. Die is echter grotendeels verdwenen onder asfalt, plantengroei, nieuwbouw en geparkeerde auto's. In Volos zie je op sommige plaatsen nog het spoor lopen. Alleen het uiterste eind, nabij Míliës, is in gebruik, en dan nog alleen op zaterdag en zondag. Helaas waren wij er doordeweeks.

Het archeologisch museum, aan de zuidkant van Volos, toont een grote  verzameling beeldjes en botten, niet gehinderd door enige vorm van uitleg. Vergeleken met Evoluon en Nemo is dit museum zo ouderwets dat het alleen daarom al bestaansrecht heeft. Er was een grote kaart met lampjes op de archeologische vindplaatsen en daarnaast een paar drukknoppen.
"U kunt op de knoppen drukken, dan gaan de lampjes branden," zei een suppoost.
"U meent het," zei ik.
Ik drukte op een knop. Er gingen lampjes branden.
Als ze nou nog fossielen hadden. Of kristallen. Verveeld liep ik naar buiten. In de tuin stonden vele oude beeldhouwwerken. Die waren best leuk om te zien. Na een minuut kwam er een suppoost op mij af.
"Meneer, u mag hier niet komen!"
O. Mij best hoor. Dan gaan we toch.

Hadden we dat entreegeld maar besteed aan een Krikri.

Pílion. Míliës. Mooi voorbeeld van de Pilion-bouwstijl.

 

Makrinítsa. Dimitri, de vader van Maria, kijkt uit over Vólos en de golf van Pagasitikós.
Op naar het prachtige Míliës. Dat betekent appels. Er staan inderdaad appelbomen. Ook staan er prachtige huizen: de mooiste huizen die ik in Griekenland gezien heb. De bovenste verdieping heeft een groter vloeroppervlak dan de onderste; met andere woorden: de gevel steekt uit. Ook zijn er vaak versieringen boven de ramen geschilderd. Klik op de foto hiernaast! Klikken! Klikken!

Er zijn meer mensen die deze huizen mooi vinden. Pilion is dan ook zo'n beetje het Wassenaar van Griekenland. Er wonen veel rijke mensen.

Terwijl Maria op de bus wilde blijven wachten, wilde ik nog even het station van Milies zien. Daar had ik ooit in een folder een prachtige foto van gezien. Puur op richtingsgevoel liep ik er recht naar toe. Dat richtingsgevoel klopte perfect. Helaas bleek het geen doorgaand pad te zijn. Het pad werd steeds dunner en dunner en ineens stond ik midden op een stijl akkertje tegenover een blaffende hond. Na een omtrekkende beweging bereikte ik het station, en inderdaad, het station is van grote schoonheid. Het ligt geheel verborgen tussen mysterieuze bomen.

Ook mooi maar een stuk toeristischer is Makrinítsa. Dat ligt pal boven Volos. Dimitri, de vader van Maria, vergezelde ons, want hij was voor zaken in Volos. Dimitri vertelde ons dat hij net vernomen had dat de kampleider uit Preveza, die ons in zijn rokende busje nog naar de bushalte had gebracht, dat die was overleden. Dat was al de tweede dode tijdens deze vakantie.

Dimitri was, behalve dat hij een vriend is kwijtgeraakt, zelf ook niet helemaal zeker van zijn gezondheid. Hij had een gezwel op zijn linkerarm. Over een paar dagen zou hij voor onderzoek naar een ziekenhuis in Athene gaan. De gezondheidszorg in Griekenland is minder geregeld als in Nederland. Soms moet je dokters wat smeergeld toestoppen om een betere behandeling te krijgen. Als je niet rijk bent, heb je pech: dan moet je er maar het beste van hopen. Dat is natuurlijk geen prettige bijkomstigheid als je toch al ziek bent.

[Nu, enkele maanden later, kan ik u vertellen dat Dimitri na een operatie weer in goede gezondheid verkeert.]

Siliconentoetje

De golf van Pagasitikós.
De reis zit er bijna op. Alleen nog even, als we toch in Athene het vliegtuig nemen, bij een tante van Maria op bezoek. Deze tante is heel netjes en raakt al gauw in de war als er onverwachte dingen gebeuren. Blijven eten of blijven slapen zou al gauw te veel zijn voor haar. Maria spreekt telefonisch af dat we na de lunch komen. We nemen dus eerst nog een spanakopita, zeg maar een broodje spinazie. Dat is lekkerder dan het klinkt, en nog gezond ook, helemaal geen junk food hoor!

Met onze buikjes rond nemen we de metro naar tante. Tante schuift ons meteen aan tafel, zet borden neer, en serveert kip met rijst.

"Wat fijn van je tante dat ze zo goed voor ons zorgt," grijns ik cynisch.
"En denk erom dat je je bord leeg eet, anders is tante beledigd," riposteert Maria.

Na de eerste hap wil ik al niets meer. Beste lezer, ik houd niet van koken. Geef mij de meest eenvoudige ingredienten, zoals een eitje of een diepvriespizza, en zonder enige moeite maak ik er iets gruwelijks van. Ik kan zo slecht koken dat ik culinair afgekeurd ben; Maria heeft de leiding overgenomen. Gelukkig maar, want Maria is de beste kok die ik ooit ontmoet heb.

Ik kan echter wel goed proeven. De tante van maria kookt slechter dan ik. Hoe is het toch mogelijk om een kip zo van alle vocht en smaak te ontdoen, dat krijg ik zelfs niet voor elkaar! En de rijst was al net zo droog en smakeloos. De tweede hap blijft ergens in mijn keel steken. Met een slok doorspoelen dan maar.

Ineens lust ik ook de Fanta niet meer. Gek he?

Ik neem voor de goede sier nog een paar happen en doe net alsof ik het lekker vind. Daar krijg ik al gauw spijt van, want na de kip met rijst komt er een toetje op tafel.
"Zelf gemaakt," vertaalt Maria haar tante.
"Nee alsjeblieft, laat het niet waar zijn," grijns ik vriendelijk.

Het is waar. Het dessert is bizarder dan wat ik ooit had kunnen maken. Is het pudding? Pap? Alabastine? Siliconenkit? Rubber?

Na de maaltijd vertelt tante over haar dochter, die een jaar geleden in een klooster is gegaan. Niet zomaar een klooster maar een sekte-achtig iets als ik tante mag geloven. Tante was heel ongelukkig, en heeft haar dochters huisgenote die haar tot het kloosterleven verleid heeft, de huid vol gescholden. Ineens ben ik het eten vergeten en voel ik met de arme moeder mee. Het zal je maar gebeuren.

Dan volgt nog een verrassing: tante biedt ons onderdak aan voor de nacht.

"Nee," zeg ik tegen Maria, "geen sprake van. Ik verhonger liever op straat dan hier nog iets te moeten eten. Verzin maar een smoes."

En een uur later staan we in het centrum van Athene, bekaf van al het reizen. "Wacht maar, ik regel wel een hotelletje, blijf jij maar even rustig zitten."

Dat hotelletje werd het vriendelijke Pella-Inn, grenzend aan Plaka. Achter de receptie staat een mollige dame die vlot Frans, Engels, Grieks en nog een paar talen spreekt.
"Leuke jongen heb je aan de haak geslagen," zegt ze tegen Maria.
"Wat zegt ze?" vraag ik.
"Dat je maar boft met een vriendin zoals ik," zegt Maria.

We slepen ons en onze bagage naar de kamer en ploffen op bed.
"Ik kan geen stap meer zetten," zegt Maria.
"Gelukkig hebben we al gegeten," grap ik.
"Ik wil naar huis," zegt Maria, en ik weet dat ze Amsterdam bedoelt.
"Ik ook, zeven weken was wel genoeg. Ik heb bijna weer zin om aan het werk te gaan!"
"Ik heb dorst," zegt Maria.
En voordat ze haar zin af heeft, sta ik al twee blokken verder bij de kiosk om een fles water te kopen. Mijn allerlaatste aanschaf in Drachmes.

De volgende dag vliegen we via Wenen terug naar Amsterdam. Het is 10 september 2001. Een dag later storten de twin towers in.

Tekst & foto's: Onno Zweers © 2002

U mag de foto's gebruiken, mits vergezeld van een link naar deze pagina.

You may use these photos if you add a link to this page.